In deze civiele arbeidsrechtelijke zaak stond de omvang van de vergoeding voor vrijwilligerswerk bij een voetbalvereniging centraal. De appellant, die werkzaamheden verrichtte als vrijwilliger, vorderde een hogere vergoeding dan door de sportvereniging toegekend.
Na eerdere tussenarresten en bewijslevering erkende de sportvereniging de verschuldigdheid van een deel van de gevorderde vergoeding. Het hof stelde vast dat verschillende posten toewijsbaar waren, waaronder een bedrag van € 750,-- voor post C, wat eerder niet was erkend.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover de sportvereniging werd veroordeeld tot betaling van € 390,71 en veroordeelde haar in plaats daarvan tot betaling van een totaalbedrag van € 1.583,55, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 januari 2017. Proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Het hoger beroep werd verder afgewezen.