Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende memorie van grieven en wijziging van eis;
- de memorie van antwoord met een productie;
- het pleidooi, waarbij mr. Aben namens [appellant] pleitaantekeningen heeft overgelegd;
- een H12-formulier van [appellant] , ingekomen ter griffie van het hof op 11 november 2020, met een brief en een productie die [appellant] tijdens het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;
- een H12-formulier van [geïntimeerde] , ingekomen ter griffie van het hof op 16 november 2020, met een brief en een productie die [geïntimeerde] tijdens het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
tateerd dat u de betalingsregeling niet meer bent nagekomen. De betalingsregeling is daarom komen te vervallen en bent u het totale nog openstaande bedrag verschuldigd.”
gevraagd de executie van de woning verder ter hand te nemen.”
“bij ontbinding van deze overeenkomst”(zie hiervoor rov. 3.1. onder a.). In het licht van de hiervoor in rechtsoverweging 3.5.6. genoemde omstandigheden en gelet op de daaraan voorshands te verbinden conclusie dat de regeling van de schuldigerkenning deel uitmaakt van het geheel van de in de notariële akte opgenomen samenlevingsovereenkomst, moet het er naar het oordeel van het hof voorshands voor worden gehouden dat met de woorden
“deze overeenkomst”de gehele samenlevingsovereenkomst wordt bedoeld, inclusief het deel dat ziet op de schuldigerkenning, en dat partijen hebben bedoeld erin te voorzien dat als de samenlevingsovereenkomst door ontbinding tot een einde komt, dit ook de opeisbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] uit hoofde van de schuldigerkenning bewerkstelligt. In het licht van de hier toegepaste maatstaf voor uitleg van (bedingen in) overeenkomsten doet daaraan niet af dat dit niet uitdrukkelijk zo is bepaald. Door [geïntimeerde] is in dit verband verder gewezen op artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Dat artikel bepaalt (voor zover van belang):
heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat hij eerder, in 2010, een bedrag van € 100,00 per maand betaalde en dat daarna, via loonbeslag onder zijn toenmalige werkgever, € 200,00 per maand aan (de deurwaarder van) [geïntimeerde] werd voldaan. Na het einde van zijn arbeidsovereenkomst rond 1 april 2011 heeft hij tegen de deurwaarder gezegd dat hij verder wilde gaan met de betalingen van € 200,00 per maand en volgens [appellant] heeft de deurwaarder dat toen op papier gezet, kennelijk in de brief van 18 mei 2011. Het hof stelt vast dat [appellant] ook na ontvangst van de hiervoor bedoelde brief van de deurwaarder door maandelijkse betalingen van € 200,00 (behoudens twee maanden in 2019, waarover hierna meer) tot heden uitvoering is blijven geven aan de betalingsregeling. Dat blijkt uit het eigen betalingsoverzicht (productie 23) in combinatie met hetgeen tijdens de zitting op 16 oktober 2020 aan de orde is gekomen aan de hand van een nader overzicht van betalingen aan de deurwaarder (productie 2 in hoger beroep van [appellant] ). Gesteld noch gebleken is dat [appellant] na ontvangst van de brief van de deurwaarder van 18 mei 2011 heeft geprotesteerd tegen de daarin genoemde voorwaarde. Daarom moet het er voorshands voor worden gehouden dat de in die brief opgenomen voorwaarde deel uitmaakt van de tussen partijen vanaf 2010 in verschillende fasen tot stand gekomen betalingsregeling.