Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
[woningstichting] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4148316 CV EXPL 15-3776)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 9 oktober 2018;
- de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis en aanvulling van gronden met producties 1-2;
- de memorie van antwoord met productie 1;
- het pleidooi, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
- De gemeente Tilburg heeft de in het geding zijnde woning aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [plaats] vanaf 1 juni 1972 verhuurd aan de heer [(schoon)vader] , de (schoon)vader van [appellanten] .
- [appellanten] stonden vanaf 15 oktober 1979 tot en met 10 november 1999 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres [straatnaam] [huisnummer 1] te [plaats] .
- Rond de jaren ‘90 van de vorige eeuw is een rechtsvoorgangster van [woningstichting] eigenaar geworden van het perceel met daarop de woning.
- In de loop der jaren is op het perceel een loods gebouwd (hierna: de loods).
- Op enig moment is op het perceel een tweede woning gebouwd, waaraan door de gemeente Tilburg op 10 november 1999 het adres [straatnaam] [huisnummer 1a] is toegekend.
- Op 10 november 1999 is in de Gemeentelijke Basisadministratie de registratie van [appellant] veranderd van “ [straatnaam] [huisnummer 1] (Woonadres)” in “ [straatnaam] [huisnummer 1a] (Woonadres)”.
- Op 30 augustus 2002 heeft de gemeente Tilburg aan [appellanten] een last onder dwangsom opgelegd om de tweede woning met huisnummer [huisnummer 1a] voor 1 mei 2003 af te breken. [appellanten] hebben hiertegen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. De Raad van State heeft bij uitspraak van 17 augustus 2005 het hoger beroep van [appellanten] ongegrond verklaard.
- De tweede woning is in 2006 afgebroken.
- Op 9 juni 2010 is de registratie van [appellant] in de Gemeentelijke Basisadministratie veranderd van “ [straatnaam] [huisnummer 1a] (Woonadres)” in “ [straatnaam] [huisnummer 1] (Briefadres)”.
- Op 28 mei 2013 is de heer [(schoon)vader] overleden. Zijn echtgenote mevrouw [(schoon)moeder] (de (schoon)moeder van [appellanten] ) heeft de huurovereenkomst voortgezet. Bij brief van 4 juni 2013 aan mevrouw [(schoon)moeder] heeft [woningstichting] bevestigd dat de woning [straatnaam] [huisnummer 1] vanaf 4 juni 2013 alleen op haar naam staat.
- Op 3 december 2014 is de (schoon)moeder van [appellanten] overleden.
- Bij brieven van 8 december 2014 en 13 januari 2015 aan de erven van mevrouw [(schoon)moeder] heeft [woningstichting] verzocht de huur op te zeggen vanwege het overlijden van mevrouw [(schoon)moeder] .
- Bij brief van 21 april 2015 aan [appellanten] heeft [woningstichting] hen meegedeeld dat de huurovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 28 februari 2015, en hen verzocht de woning binnen zeven dagen na dagtekening van de brief te ontruimen.
- Met ingang van 1 januari 2017 heeft [appellant] een deel van de loods voor de duur van één jaar verhuurd aan de heer [onderhuurder] (hierna: [onderhuurder] ).
- Op 2 mei 2017 is, naar aanleiding van een anonieme melding op 24 maart 2017, door handhavingsambtenaren van de gemeente Tilburg in de loods op het perceel [straatnaam] [huisnummer 1] een hennepdrogerij en een hoeveelheid van 63,877 kg henneptoppen aangetroffen.
- Op 30 mei 2017 heeft de burgemeester van de gemeente Tilburg aan [woningstichting] een voornemen tot sluiting van de loods gestuurd. Op 30 juni 2017 heeft de burgemeester van de gemeente Tilburg het besluit tot sluiting van de loods voor de duur van drie maanden aan [woningstichting] gestuurd.
- Ervan uitgaande dat de hennepdrogerij die in de bedrijfsruimte is aangetroffen, door onderhuurder [onderhuurder] werd geëxploiteerd, geldt dat [appellanten] zich in verband met het handelen van onderhuurder [onderhuurder] zelf niet als goede huurders hebben gedragen (rov. 4.3.1. – 4.3.4.).
- Deze tekortkoming kan de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. De gevolgen van de ontbinding zijn voor [appellanten] niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (rov. 4.3.5. – 4.3.6.).
- Dat tot het perceel van [woningstichting] niet behoort de grond waarop de loods staat, kan uit hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd niet worden afgeleid (rov. 4.3.8.).
- Zelfs al zou [woningstichting] geen eigenaar zijn van de grond waarop de bedrijfsruimte staat, dan staat dat niet aan ontbinding van de huurovereenkomst in de weg (rov. 4.3.9.).
- Aangezien de huurovereenkomst in reconventie wordt ontbonden en [appellanten] worden veroordeeld tot ontruiming, hebben zij geen belang (meer) bij hun vordering in conventie (rov. 4.4.).
- toewijzing van hun vermeerderde vorderingen in conventie;
- volledige afwijzing van de vorderingen van [woningstichting] in reconventie;
- veroordeling van [woningstichting] in de proceskosten.