Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8645965 VV EXPL 20-27)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 4 september 2020 met grieven en producties, tevens houdende een wijziging van eis;
- de memorie van antwoord met producties;
- een brief van 15 oktober 2020 zijdens [geïntimeerde] met een akte houdende producties met vijf producties;
- een formulier H12 van 15 oktober 2020 zijdens [appellant] met één productie;
- een faxbericht van 18 oktober 2020 zijdens [appellant] met één productie;
- een formulier H14 van 19 oktober 2020 zijdens [geïntimeerde] , houdende bezwaar tegen de inzending van een productie bij faxbericht van 18 oktober 2020;
- het op 21 oktober 2020 gehouden pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en de hiervoor genoemde stukken in het geding hebben gebracht.
3.De beoordeling
- was [appellant] op 13 juli 2020 al dan niet in staat de aangeboden arbeid te verrichten?
- was de door [geïntimeerde] op 13 juli 2020 aangeboden arbeid passende arbeid in de zin van artikel 7:658a, lid 4 BW?
- bestond een (andere) deugdelijke grond voor [appellant] om te weigeren om de aangeboden arbeid te verrichten.
Rust is hem geadviseerd, daarnaast is hij weer begonnen met[hof: blanco regeldeel]
en[hof: rest document is blanco]
”
met terugwerkende krachtde loonbetalingen dienen te hervatten. Hieruit volgt dat de werkgever (ook) op grond van de cao lopende een discussie over de mate van arbeidsgeschiktheid bevoegd is loonbetalingen te stoppen.