Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna “ [appellante] ”,
advocaat: mr. S.X.J. Zuidema,
advocaat: mr. J.J.M. Goumans,
1.Het geding bij de kantonrechter
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met een productie;
- de akte van [appellante] (abusievelijk genaamd ‘antwoordakte’);
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
3.De beoordeling
wiemet [appellante] de overeenkomst is aangegaan: [interieurbouw] , vertegenwoordigd door haar bestuurder [geïntimeerde] , of [geïntimeerde] voor zichzelf in privé. Ook staat tussen partijen vast dat de overeenkomst van opdracht is gesloten voordat [appellante] op 7 november 2015 begon met het opbouwen van de stand en daarmee tevens voordat [interieurbouw] op 10 november 2015 failleerde, Daaraan doet niet af dat partijen van mening verschillen over wanneer de overeenkomst precies tot stand kwam ( [appellante] stelt dat dit eind oktober/begin november 2015 is gebeurd, terwijl [geïntimeerde] stelt dat de overeenkomst al eerder tot stand kwam en dat het gesprek van eind oktober/begin november 2015 diende, kort gezegd, om er nader over te spreken). Verder is door [appellante] zelf in dit geding bij herhaling gesteld dat de oorspronkelijk tot stand gekomen overeenkomst zowel het opbouwen als het afbreken van de stand omvatte (Inleidende dagvaarding, randnr. 4; memorie van grieven, randnr. 34). Door [geïntimeerde] is dat niet betwist, zodat ook dit tussen partijen vaststaat. De door [appellante] voor het eerst in dit hoger beroep aangevoerde (maar door [geïntimeerde] betwiste) stelling, kort gezegd, dat sprake was van twee aparte opdrachten, de eerste voor het opbouwen van de stand en de tweede voor het afbreken ervan, passeert het hof. Die stelling is niet verenigbaar met de hiervoor genoemde, door [appellante] al in de procedure bij de kantonrechter aangevoerde en vervolgens in hoger beroep herhaalde, stelling dat de voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gesloten overeenkomst zowel het opbouwen als het afbreken van de stand omvatte. Daarnaast heeft [appellante] haar stelling dat de opdracht voor het afbreken van de stand na datum faillissement nogmaals apart is gegeven onvoldoende concreet onderbouwd. Het enkele feit dat over het afbreken van de stand in december 2015 per WhatsApp is gecorrespondeerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van een tweede overeenkomst. Dat corresponderen kan immers heel goed ook het gevolg zijn van een al eerder daartoe gegeven opdracht, zeker nu niets in de inhoud van de overgelegde correspondentie erop duidt dat daarmee toen apart opdracht is gegeven voor het afbreken van de stand.
“(…) ik wil je best nog eens helpen, maar ik wil geen gezeik met de betaling zoals de vorige keer. (…). Hij heeft mij geantwoord: je hoeft je daar geen zorgen over te maken. Ik sta garant voor de betaling van de uren (van de mensen van [appellante] ), mijn opdrachtgever moet de arbeidsuren ook nog aan mij betalen. Ik zorg ervoor dat jij netjes betaald krijgt. Ik heb hieruit begrepen dat hij er persoonlijk voor zou zorgen dat ik in elk geval betaald zou krijgen.”Getuige [projectmanager] heeft hierover verklaard (p.-v. 25 juni 2018, p. 4):
“ [geïntimeerde] heeft iets geantwoord als: de betaling is geen probleem.”Getuige [geïntimeerde] heeft hierover verklaard (p.-v. 25 juni 2018, p. 5/6):
“Ik had geen enkele reden om te zeggen dat ik (persoonlijk) voor de betaling zou zorgen. (…). Als ik in mijn SMS van 24 december (productie 14.1) zeg dat ik de betaling kan regelen via de opdrachtgever dan doel ik op [wijnhandel] .”Uit deze verklaringen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, blijkt naar het oordeel van het hof niet van een verklaring of gedraging van [geïntimeerde] waaruit [appellante] (in de persoon van haar directeur [directeur appellante] ) redelijkerwijze mocht afleiden dat [geïntimeerde] persoonlijk garant stond voor de betaling. De verklaring die daar nog het dichtste bij komt, is die van [directeur appellante] . Ook die duidt echter niet op een zonder voorbehoud gedane persoonlijke betalingstoezegging door [geïntimeerde] , maar op een betaling die zal volgen nadat [interieurbouw] betaald zal zijn door [wijnhandel] . Daar komt bij dat [directeur appellante] partijgetuige is, zodat aan zijn verklaring geen bewijs in het voordeel van [appellante] kan worden ontleend tenzij deze strekt ter aanvulling van onvolledig ander bewijs. Dergelijk ander bewijs is door [appellante] niet geleverd. De conclusie is dan ook dat uit wat de getuigen hebben verklaard niet blijkt van uitingen of gedragingen waaruit [appellante] redelijkerwijze heeft mogen afleiden dat [geïntimeerde] persoonlijk instond voor de betaling aan [appellante] , zodat daarop niet zijn veroordeling tot betaling kan worden gebaseerd.