Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 mei 2020;
- het verweerschrift inclusief (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 16 juli 2020;
- het verweerschrift in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 17 augustus 2020;
- het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 16 juni 2020;
- een brief van [de werkgever] met productie 9, ingekomen ter griffie op 1 september 2020;
3.De beoordeling
primair,voorwaardelijk, indien en voor zover in rechte zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet met ingang van 1 september 2019 is geëindigd, [de werknemer] te veroordelen om binnen 14 dagen na de in deze procedure te wijzen beschikking de aan hem uitgekeerde transitievergoeding van € 25.575,76 bruto aan [de werkgever] te betalen, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag van indiening van dit zelfstandig verzoekschrift;
primair,voorwaardelijk, indien en voor zover in rechte zou komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst niet met ingang van 1 september 2019 is geëindigd, [de werknemer] te veroordelen om binnen 14 dagen na de in deze procedure te wijzen beschikking de aan hem uitgekeerde transitievergoeding van € 25.575,76 bruto, althans een door het hof te bepalen bedrag, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de werkgever] te betalen, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag van indiening van het zelfstandig verzoekschrift in eerste aanleg;
‘In artikel 7:671a, zesde lid, BW is geregeld dat de werkgever bij de opzegging schriftelijk opgave van de reden van de opzegging doet,(...)’. De regering heeft dus in de Kamervragen geen aanleiding gezien om lid 6 van artikel 7:671a BW te wijzigen. Het hof leidt hieruit af dat de eis van schriftelijkheid een bewuste keuze is geweest en niet een vergissing.
Aantekenen/ tevens gewone post/tevens per e-mail’respectievelijk ‘
Teneinde er zeker van te zijn dat deze brief u bereikt, zenden wij u een exemplaar per gewone en aangetekende post, alsmede per e-mail)en heeft de brief in de avond van 17 mei 2019 op de gewone post gedaan, dus niet aangetekend of per email, ook niet in de brievenbus van de woning (die naast de onderneming ligt) die [de werknemer] huurde.
Uw cliënt zal binnenkort een definitieve opzegging ontvangen.’. Deze bedoeling is kennelijk ook gerealiseerd, getuige de opzeggingsbrief gericht aan [de werknemer] die door de heer [betrokkene 1] de avond van 17 mei 2019 op de post is gedaan. Echter, zonder (bewezen) effect, nu [de werknemer] betwist de brief van 17 mei 2019 tijdig te hebben ontvangen en dit ook niet althans onvoldoende is weersproken door [de werkgever] . Het bewijsaanbod van [de werkgever] is niet gericht op de (tijdige) ontvangst van de brief. Voor het hof is daarom uitgangspunt dat [de werknemer] de opzeggingsbrief niet tijdig heeft ontvangen en pas voor het eerst heeft gezien bij de stukken van de kort gedingprocedure in juli 2019.