Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
Geïnformeerde toestemming van de
“het volgende 36, 48 en 60 maanden durend
2.De feiten
3.Het standpunt van klaagster en de klacht
Inleiding
-richtlijn die opgesteld is in het jaar 2000 (…)
dat antibiotische profylaxe gegeven dient te worden bij een infectierisico van hoger dan 2-5%. Uit de literatuur blijkt dat het infectiepercentage bij injectie van filters tussen de 1 en 2% ligt.
: “as a result of an injection - not as a result of the material that was injected” (…)In hoeverre onderschrijft u deze conclusie en wat betekent dat voor de beantwoording van voorgaande vragen?
4.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
5.De motivering van de beslissing in hoger beroep
eerste griefvoert [appellante] aan dat [geïntimeerde] aansprakelijk is op grond van artikel 6:77 BW Pro nu hij bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [appellante] gebruik heeft gemaakt van een gebrekkige hulpzaak, de permanente vullers.
Indien bij een geneeskundige behandeling een zaak in het lichaam van de patiënt wordt aangebracht die ten tijde van de behandeling “state of the art” is, brengt het enkele feit dat de zaak op grond van naderhand opgekomen medische inzichten naar haar aard niet langer geschikt wordt bevonden voor de desbetreffende behandeling, niet mee dat het gebruik van die zaak als een tekortkoming moet worden aangemerkt. Aan toepassing van art. 6:77 BW Pro wordt in dat geval dus niet toegekomen. Een andere opvatting verdraagt zich niet met de aard van de medische behandelingsovereenkomst en de daarbij door de hulpverlener in acht te nemen zorg (art. 7:453 BW Pro). Dit strookt ermee dat evenmin een tekortkoming bestaat indien een arts een behandeling toepast die op dat moment naar gangbare medische inzichten de juiste is, maar die nadien als gevolg van nieuw opgekomen medische inzichten niet langer als state of the art wordt beoordeeld. Er bestaat geen grond op dit punt verschillend te oordelen al naar gelang het gaat om een bij de behandeling gebruikte zaak of om de behandeling als zodanig.”
Ten tijde van de injectie door [geïntimeerde] bevond [appellante] zich in klasse Mayhall 1 patiënt- en omgevingsgebonden factoren die het risico op postoperatieve wondinfectie kunnen doen toenemen. In deze klasse is preventief antibioticagebruik niet aangewezen.” Ook het Centraal Tuchtcollege heeft de klacht van [appellante] ten aanzien van het niet voorschrijven van antibiotica ongegrond bevonden omdat dit ten tijde van de behandeling door [geïntimeerde] van [appellante] niet gebruikelijk was. Ook professor Van der Lei heeft als zijn oordeel gegeven dat het niet gebruikelijk was destijds om bij injectie van permanente vullers antibiotica toe te dienen (zie onder meer het rapport van Dumont , 3.35). In antwoord op vraag 13 geeft Dumont aan dat hij onderschrijft dat het voorschrijven van antibiotica destijds bij dit soort ingrepen niet gebruikelijk was, maar dat dit volgens hem niet betekent dat het daarom juist is om geen antibiotica voor te schrijven. Hij verwijst naar de SWAB-richtlijn en naar de bijsluiter van Bio-Alcamid waarin staat dat wel antibiotica diende te worden gebruikt. Het hof is van oordeel dat nu ook Dumont te kennen geeft dat het destijds niet gebruikelijk was antibiotica voor te schrijven bij dit soort ingrepen, [geïntimeerde] heeft gehandeld conform de destijds geldende professionele standaard. Dat in de bijsluiter van Bio-Alcamid is voorgeschreven antibiotica te gebruiken en dat de SWAB-richtlijn dit zou voorschrijven (hetgeen door [geïntimeerde] wordt betwist) doet in dit geval aan het voorgaande niet af; het was desondanks binnen de beroepsgroep destijds gebruikelijk om geen antibiotica voor te schrijven, ook volgens de door de rechtbank benoemde deskundige. Het is aan de zorgverlener om conform de professionele standaard een afweging te maken hoe de geneeskundige behandelovereenkomst wordt nagekomen, bij welke afweging de zorgverlener uiteraard ook de bijsluiter en richtlijnen meeneemt, maar dat advies en die richtlijnen hoeven niet leidend te zijn, indien er voldoende aanleiding is om daarvan af te wijken. In het licht van de omstandigheid dat uit de verschillende deskundigenberichten (waaronder die van Dumont ) blijkt dat het destijds niet gebruikelijk was om antibiotica voor te schrijven bij een ingreep zoals door [geïntimeerde] bij [appellante] is uitgevoerd, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] conform de eisen die aan een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot worden gesteld heeft gehandeld. Voor zover [appellante] nog wijst op de omstandigheid dat zij een infectie heeft doorstaan in september 2003 heeft te gelden dat zij toen een antibioticakuur heeft ondergaan om de infectie te bestrijden. Er is niet gebleken dat in het geval een patiënt al eens een infectie heeft doorgemaakt ten tijde van de door [geïntimeerde] uitgevoerde behandelingen zorgvuldig medisch handelen meebracht dat bij de volgende behandeling(en) antibiotica preventief moest worden toegepast of dat naar de infectie (die reeds behandeld was) extra onderzoek werd gedaan alvorens de patiënt opnieuw werd behandeld. Zoals reeds overwogen was het preventief inzetten van antibiotica in 2003-2004 bij dit soort ingrepen niet gebruikelijk. Op grond van het voorgaande volgt het hof niet de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst wat het niet toedienen van antibiotica betreft.
is advisable to repeat each infiltration after at least 40 days”(zie ook het deskundigenrapport van Dumont ). [appellante] heeft in hoger beroep als productie 6 bij memorie van grieven e-mails in het geding gebracht (zie 3.10 en 3.11.) waaruit blijkt dat zij op 16 januari 2004 is behandeld. Aan de blote betwisting van [geïntimeerde] (zie punt 2.35 memorie van antwoord) gaat het hof op dit punt voorbij. Nu [geïntimeerde] geen verklaring heeft gegeven voor de inhoud van die mails, gaat het hof ervan uit dat aan [appellante] op 16 januari 2004 een vuller is toegediend. Vervolgens is zij op 24 februari opnieuw behandeld; dat betekent dat er zo’n 38 dagen tussen de ene en de andere behandeling liggen. Dumont heeft in antwoord op vraag 8 aangegeven dat hij geen uitspraak kan doen over de eisen die aan een redelijk handelend vakgenoot dienen te worden gesteld wat betreft de tijdsduur tussen de injecties.