In deze zaak staat een geschil centraal tussen een hoofdaannemer en onderaannemer over de betaling van de laatste termijn van de aanneemsom en de verschuldigdheid van meerwerk bij de renovatie van 20 woonblokken. De onderaannemer had de opleveringstermijn gefactureerd op een eerder moment dan contractueel overeengekomen, wat door de hoofdaannemer werd geweigerd. Daarnaast werd meerwerk gefactureerd dat deels werd betwist.
De kantonrechter wees de vorderingen van de onderaannemer af wegens onvoldoende bewijs van toestemming voor eerdere facturatie en opdracht voor meerwerk. Het hof stelde vast dat oplevering op 24 februari 2017 had plaatsgevonden en dat de factuur van 5 december 2016 niet geaccepteerd was. De onderaannemer was pas gerechtigd om vanaf die datum te factureren, waarna betaling opeisbaar werd.
Het hof oordeelde dat de hoofdaannemer de facturen voor de opleveringstermijn en een deel van het meerwerk (plastisol lijsten en vervanging dakpannen) moest voldoen, met wettelijke rente. Het beroep op verrekening met schadevorderingen werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De vordering voor het aansluiten van rookgasafvoeren werd afgewezen omdat partijen een kostenverdeling hadden afgesproken. De beslagkosten werden toegewezen, maar buitengerechtelijke incassokosten niet. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen en veroordeelde de hoofdaannemer tot betaling van € 11.032,64 voor de opleveringstermijn, € 4.562,- voor meerwerk en € 788,95 aan beslagkosten, vermeerderd met rente en proceskosten.