In deze civiele procedure is appellant in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een geschil met een verzekeraar over een aanrijding die door de verzekeraar als geënsceneerd werd beschouwd. Appellant verzocht om een voorlopig getuigenverhoor van betrokkenen om tegenbewijs te leveren tegen de stelling van fraude.
Het hof overwoog dat appellant onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom de getuigen opnieuw gehoord zouden moeten worden, terwijl deze reeds in eerste aanleg zijn gehoord. Ook is onvoldoende duidelijk wie de betrokken medewerker van het onderzoeksbureau is en wat diens toegevoegde waarde is. Daarnaast is het debat in hoger beroep vrijwel voltooid.
Het hof concludeerde dat appellant geen uitdrukkelijk belang heeft bij het verzoek en dat het verzoek afstuit op zwaarwegende bezwaren, waaronder het risico van misbruik van procesrecht en strijd met een goede procesorde. Daarom werd het verzoek afgewezen en appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.