Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de man, bijgestaan door mr. Koppelmans-de Goeij;
- de moeder, bijgestaan door mr. Bovens;
- de bijzonder curator.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 3 december 2018;
- het verslag van de bijzonder curator van 29 januari 2020;
- het aanvullend verslag van de bijzonder curator, met bijlage, van 12 februari 2020;
- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder van 13 februari 2020;
- de brief van de advocaat van de vader van 20 februari 2020.
3.De beoordeling
.
Daarnaast is op grond van het voorgaande tevens voldoende aannemelijk dat de moeder, indien al uit een DNA-onderzoek zou volgen dat de man de verwekker is, ten gevolge van de erkenning van [minderjarige] door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat dat zij niet in staat is [minderjarige] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft en [minderjarige] daardoor in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling wordt belemmerd. Met de bijzondere curator is het hof van oordeel dat erkenning van [minderjarige] door de man op dit moment als dermate ontwrichtend voor de situatie van de moeder en [minderjarige] moet worden geacht dat dit niet in het belang is van [minderjarige] . Dat de ontwikkeling van [minderjarige] thans goed verloopt, maakt dit niet anders.
4.De beslissing
.