Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Coöperatie Maestricht Professionals U.A. h.o.d.n. P3 ruimte aan mensen,
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met akte eiswijziging;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- het schriftelijk pleidooi. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities overgelegd, waarin zij over en weer ook een reactie hebben opgenomen op de concept pleitnota van de wederpartij. [geïntimeerde] heeft daarbij ook producties overgelegd (nrs. 8 en 9).
6.De beoordeling
- een bedrag van € 20.000,- en € 1.000,- ter zake (een deel van) de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fees en contractuele rente;
- een bedrag van € 3.000,- en € 500,- ter zake (een deel van) de op grond van de geldleningsovereenkomst verschuldigde aflossing en contractuele rente;
- een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 500,-,
- i) een verklaring voor recht dat P3 toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar als franchisegever rustende verplichtingen;
- ii) ontbinding van de franchiseovereenkomst;
- iii) een verklaring voor recht dat de curator door het niet nakomen van de franchiseovereenkomst aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade;
- iv) veroordeling van de curator tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, op te maken bij staat.
- een bedrag van € 16.500,- en € 500,- ter zake (een deel van) de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fees en contractuele rente;
- een bedrag van € 7.500,- en € 500,- ter zake (een deel van) de op grond van de geldleningsovereenkomst verschuldigde aflossing en contractuele rente,
- vernietiging van het bestreden vonnis;
- het toewijzen van zijn bij memorie van grieven gewijzigde vorderingen en de daarbij ingestelde incidentele vordering;
- het alsnog volledig afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
- het veroordelen van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan de curator van wat hij eventueel ter voldoening aan het bestreden vonnis heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente,
- de onjuiste voorstelling van zaken bij het sluiten van de franchiseovereenkomst (de dwaling als zodanig);
- het causaal verband tussen (de inhoud van) die overeenkomst en die onjuiste voorstelling;
- de omstandigheid dat P3 een onjuiste inlichting heeft gedaan waaraan de dwaling te wijten is.
‘waarin de begrote inkomsten en uitgaven en de ontwikkeling in de tijd van het vermogen, liquiditeit etc. op inzichtelijke wijze wordt voorgesteld’. Voor de goede orde merkt het hof op dat het hof niet zelf heeft kunnen constateren wat er in het rekenmodel staat. In deze zaak heeft de curator, anders dan in de zaken van de andere franchisenemers waarin vandaag uitspraak wordt gedaan, het rekenmodel niet overgelegd bij de inleidende dagvaarding, ook niet als bijlage bij het ondernemingsplan van [geïntimeerde] . Het rekenmodel is ook niet bij andere processtukken overgelegd. Het hof constateert wel dat de curator tijdens de comparitie van 15 februari 2017 in eerste aanleg heeft toegelicht dat het bedrag van
- 200 dagen werkbare dagen per jaar heeft;
- daarvan een aantal dagen trainingen van P3 volgt om te worden opgeleid;
- dan ruim 160 dagen per jaar heeft om acquisitie te kunnen doen en minimaal 36 trainingsdagen kan verkopen voor minimaal € 2.200,- per dag,
- het feit dat P3 een nieuwe franchiseorganisatie was die pas in december 2011 was opgericht, en P3 nog geen gevestigde naam was;
- het feit dat alle franchisenemers, waaronder [geïntimeerde] , geen ervaring hadden in de branche van mental coaching, terwijl [bestuurder 1 van P3] en [bestuurder 2 van P3] ervaren trainers waren;
- het feit dat alle franchisenemers, waaronder [geïntimeerde] , nog opgeleid en gecertificeerd moesten worden in het eerste jaar voordat zij zelfstandig aan het werk konden gaan;
- het feit dat uit de omzetgegevens van P3 Professionals B.V. over 2010 en 2011 een terugloop in de omzet bleek.
- [geïntimeerde] heeft nul euro omzet behaald; de door [geïntimeerde] behaalde omzet bleef ver achter bij de voor haar geprognosticeerde omzet van € 88.000,-;
- ook voor alle andere franchisenemers geldt dat zij de geprognosticeerde omzet niet hebben behaald en daar ook niet bij in de buurt zijn gekomen; de meeste franchisenemers hebben nul euro omzet behaald in het eerste jaar.
gelijkis aan het bedrag dat [geïntimeerde] op grond van de franchiseovereenkomst aan P3 heeft betaald. Dat bedrag is volgens de eigen stellingen van de curator € 7.735,- (inclusief btw) (zie inleidende dagvaarding, p. 4), wat overeenkomt met de hierboven in 6.1 vastgestelde betalingen voor de franchiseovereenkomst. Gelet op een en ander gaat het hof ervan uit dat de curator met zijn subsidiaire vordering een bedrag van € 7.735,- vordert als vergoeding van de waarde van de aan [geïntimeerde] geleverde prestaties.
op grond van de franchiseovereenkomstverrichte prestaties over en weer terugbetaald moeten worden dan wel ongedaan moeten worden gemaakt. Voor zover de curator in plaats van ongedaanmaking van de door P3 verrichte prestaties een vergoeding van de waarde van die prestaties vordert, moet het dus gaan om prestaties die P3 op grond van de franchiseovereenkomst heeft verricht. Bij de door de curator gestelde indirecte prestaties gaat het kennelijk echter niet om prestaties die P3 op grond van de met [geïntimeerde] gesloten franchiseovereenkomst heeft verricht. Dat dit anders is, heeft de curator in ieder geval niet (voldoende onderbouwd) gesteld. Dit brengt al mee dat de curator van [geïntimeerde] geen vergoeding kan vorderen van de waarde van de indirecte prestaties.
verplicht zich de lening aan te wenden ter financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen en die gedurende de looptijd van de lening daartoe zullen behoren’.
‘de financiering van bestanddelen die behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen’, zoals de aankoop van een auto, telecommunicatie, reclamemateriaal etc. wezenlijk anders is dan het betalen van de overeengekomen franchisefee etc. Volgens de curator kan artikel 2.1 daarom niet worden uitgelegd in de door [geïntimeerde] gestelde zin. De curator heeft verder nog aangevoerd dat [geïntimeerde] ook niet heeft onderbouwd dat zij de lening heeft gebruikt voor het betalen van de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fee e.d., en dat hij dit ook betwist.
7.De uitspraak
- de veroordeling van de curator in de proceskosten van het principaal hoger beroep (vermeerderd met rente), en;
- de veroordeling van de curator in de proceskosten van het incident, en;
- de veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van wat de curator heeft betaald ter voldoening aan de in het bestreden vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling in conventie (vermeerderd met rente);