Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Coöperatie Maestricht Professionals U.A. h.o.d.n. P3 ruimte aan mensen,
5.Het verloop van de procedure
- het arrest in het incident ex artikel 222 Rv Pro jo. 220 Rv van 23 januari 2018;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met akte eiswijziging;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- het schriftelijk pleidooi. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities overgelegd, waarin zij over en weer ook een reactie hebben opgenomen op de concept pleitnota van de wederpartij. [geïntimeerde] heeft daarbij ook producties overgelegd (nrs. 8 en 9).
6.De beoordeling
- een bedrag van € 23.500,- en € 1.000,- ter zake (een deel van) de op grond van de franchiseovereenkomst verschuldigde fees en contractuele rente;
- een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 500,-,
- i) een verklaring voor recht dat P3 toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de franchiseovereenkomst;
- ii) ontbinding van de franchiseovereenkomst;
- iii) veroordeling van de curator tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, bestaande uit de aan hem verzonden facturen of de op geld waardeerbare ongedaanmakingsverbintenis.
- vernietiging van het bestreden vonnis;
- het (alsnog) toewijzen van zijn vorderingen uit eerste aanleg, dan wel zijn bij memorie van grieven ingestelde voorwaardelijke vorderingen;
- het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
- het veroordelen van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan de curator van wat hij eventueel ter voldoening aan het bestreden vonnis heeft betaald,
- de onjuiste voorstelling van zaken bij het sluiten van de franchiseovereenkomst (de dwaling als zodanig);
- het causaal verband tussen (de inhoud van) die overeenkomst en die onjuiste voorstelling;
- de omstandigheid dat P3 een onjuiste inlichting heeft gedaan waaraan de dwaling te wijten is.
- het feit dat P3 een nieuwe franchiseorganisatie was die pas in december 2011 was opgericht, en P3 nog geen gevestigde naam was;
- het feit dat alle franchisenemers, waaronder [geïntimeerde] , geen ervaring hadden in de branche van mental coaching, terwijl [bestuurder 1 van P3] en [bestuurder 2 van P3] ervaren trainers waren;
- het feit dat alle franchisenemers, waaronder [geïntimeerde] , nog opgeleid en gecertificeerd moesten worden in het eerste jaar voordat zij zelfstandig aan het werk konden gaan;
- het feit dat uit de omzetgegevens van P3 Professionals B.V. over 2010 en 2011 een terugloop in de omzet bleek.
- [geïntimeerde] heeft slechts € 9.002,04 omzet behaald in 2012 en € 42.253,75 in 2013; de door [geïntimeerde] behaalde omzetten bleven ver achter bij de voor hem voor 2012 en 2013 geprognosticeerde omzetten van respectievelijk € 88.000,- en € 132.000,-;
- ook voor alle andere franchisenemers geldt dat zij de geprognosticeerde omzet niet hebben behaald en daar ook niet bij in de buurt zijn gekomen; de meeste franchisenemers hebben nul euro omzet behaald in het eerste jaar.
gelijkis aan het bedrag dat [geïntimeerde] op grond van de franchiseovereenkomst aan P3 heeft betaald. Dat bedrag is volgens de eigen stellingen van de curator € 300,- (zie inleidende dagvaarding, p. 4), wat overeenkomt met de hierboven in 6.1 onder l vastgestelde betaling voor de franchiseovereenkomst. Gelet op een en ander gaat het hof ervan uit dat de curator met zijn subsidiaire vordering (slechts) een bedrag van € 300,- vordert als vergoeding van de waarde van de aan [geïntimeerde] geleverde prestaties.
op grond van de franchiseovereenkomstverrichte prestaties over en weer terugbetaald moeten worden dan wel ongedaan moeten worden gemaakt. Voor zover de curator in plaats van ongedaanmaking van de door P3 verrichte prestaties een vergoeding van de waarde van die prestaties vordert, moet het dus gaan om prestaties die P3 op grond van de franchiseovereenkomst heeft verricht. Bij de door de curator gestelde indirecte prestaties gaat het kennelijk echter niet om prestaties die P3 op grond van de met [geïntimeerde] gesloten franchiseovereenkomst heeft verricht. Dat dit anders is, heeft de curator in ieder geval niet (voldoende onderbouwd) gesteld. Dit brengt al mee dat de curator van [geïntimeerde] geen vergoeding kan vorderen van de waarde van de indirecte prestaties.
7.De uitspraak
- de veroordeling van de curator in de proceskosten van het principaal hoger beroep (vermeerderd met rente), en;
- de veroordeling van de curator in de proceskosten van het incident;