ECLI:NL:GHSHE:2020:134
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep belastingaanslagen
Belanghebbende had hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake diverse belastingaanslagen en beschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014. De Rechtbank had geoordeeld dat belanghebbende geen ondernemer was voor de inkomstenbelasting en omzetbelasting, en had de aanslagen en boetes deels vernietigd of verminderd.
Belanghebbende trok vervolgens het hoger beroep in en verzocht om een proceskostenvergoeding voor de kosten van rechtsbijstand. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat geen vergoeding toekomt omdat er geen geschilpunten meer waren na de uitspraak van de Rechtbank en het hoger beroep nodeloos was.
Het Hof oordeelde dat niet is komen vast te staan dat de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende tegemoet is gekomen na het instellen van het hoger beroep, zoals vereist op grond van artikel 8:75a Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb Pro. Daarom wees het Hof het verzoek tot proceskostenvergoeding af.
De uitspraak werd gedaan door het Hof ’s-Hertogenbosch op 16 januari 2020, waarbij tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot cassatieberoep bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de inspecteur niet geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende tegemoet is gekomen.