Uitspraak
1.M.E. Beheer B.V.,
Stichting Administratiekantoor M.E. Beheer,
Embo Vastgoed B.V.,
[appellante 4],
[appellante 5],
1.[geintimeerde 1] ,
Weva Consultants B.V.,
[geintimeerde 3],
Bo-Investex N.V.,
19.Het tussenarrest van 21 mei 2019
20.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 21 mei 2019;
- het rapport van de deskundige Hoiting van 13 augustus 2019, in samenhang met de rapporten van de deskundigen Van Steensel en Van Heesbeen, die eerder waren ontvangen (tussenarrest, 14);
- de memorie (“akte”) na deskundigenberichten van 5 november 2019 van M.E. Beheer c.s., met producties;
- de memorie na deskundigenberichten van 24 januari 2020 van [geintimeerden c.s.] , met producties.
21.De verdere beoordeling
- VI (Van Steensel en Hoiting, tussenarrest, 4.7.5);
- VIII (in samenhang met IX) (Van Heesbeen, tussenarrest, 4.10);
- en in het verlengde daarvan XI en verder in principaal appel.
Grieven VI en VIII gaan over de overeenkomsten van 9 augustus 2005, het thema ernstig verwijt en in dit kader over het vastgoed in Duitsland.
“M.E. Beheer en Embo op zich zelf beschouwd hun stelling dat sprake is geweest van tegenstijdig belang voldoende [hebben] geconcretiseerd”.
“naar de liquiditeitspositie van M.E. Beheer omstreeks mei – augustus 2005”.
“de liquiditeitspositie van M.E. Beheer toentertijd slecht was, mede doordat de verkoop van garageboxen in België zeer sterk was gedaald”.
“Indien deze gegevens juist zijn, vormen zij in beginsel voldoende grond voor het sluiten van de overeenkomsten op 9 augustus 2005 mits tenminste geen andere oplossingen voldoende duidelijk meer voor de hand zouden hebben gelegen en de prijs te billijken is.”
- niet alle vorderingen zijn opgenomen;
- een onbetwiste vordering op de erven in rekening courant: € 2,5 miljoen;
- een mogelijk te betwisten schuld aan [geintimeerde 3] ;
- een mogelijke vordering op [of te verrekenen schuld aan] [de schuldenaar 1] : € 280.746;
“Naar onze mening zou liquidatie van Robex om daarmee de schuld aan M.E. Beheer af te lossen een betere strategie geweest zijn.”
Wij kunnen op basis van de ons beschikbare gegevens geen economische waarde bepalen. Wij gaan er wel van uit dat de waarde in de visie van [geintimeerde 3] hoger was dan de (door M.E. Beheer betwiste) overeengekomen € 400.000. Indien de waarde volgens [geintimeerde 3] lager dan € 400.000 zou zijn geweest, zou geen transactie hebben plaatsgevonden.”
“omdat Robex voor een veel te lage prijs aan IJsselinvest is verkocht”.
- dat in de kern een groot deel van de activiteiten is verkocht aan [geintimeerde 3] voor € 400.000 – een onzakelijke prijs die ook nog met een betwiste tegenvordering is verrekend en dus niet ontvangen, waarbij [geintimeerde 3] zelfs ongeveer € 100.000 “toe” heeft gekregen;
- dat de vordering van M.E. Beheer B.V. op Robex met twee kunstgrepen is afgewaardeerd: M.E. Beheer B.V. heeft vastgoed (waarde: € 350.000) gekocht voor € 994.275 en de restantvordering (€ 969.077,36) is daarna afgewaardeerd tot € 800.000, aldus M.E. Beheer c.s.
- de rekening-courantvordering op de erven (€ 2,5 miljoen) is betwist;
(a) [geintimeerden c.s.] vindt dat de prijzen die zijn bepaald en betaald, marktconform, niet onredelijk en verklaarbaar zijn.
(b) Van Heesbeen had een Duitse Gutachter moeten inschakelen in plaats van een Nederlandse makelaar ( [makelaar] ).
(c) Een groot deel van de grond is bouwgrond, geen weide- en bosgebieden (Van Heesbeen heeft dit niet gezien).
(d) Van Heesbeen had de Bodenrichtwerte moeten volgen.
(e) De referentietransacties in hoofdstuk 4.3 zijn niet ontsloten grondstukken, dus niet vergelijkbaar.
(f) De woning in [plaats 2] is grondig verbouwd.
(g) De (hogere) koopprijs voor het vastgoed maakt ook niet uit omdat M.E. Beheer B.V. en Embo feitelijk als één partij opereren (memorie, blz. 41).