Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning met berging uit 2015, gelegen op een perceel van circa 115 m², welke wordt verhuurd. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2016 vast op €185.000, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor 2017. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en aanslag, maar de heffingsambtenaar handhaafde de waarde bij uitspraak op bezwaar. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer vanwege een onjuiste inhoudsberekening en onvoldoende rekening houden met de mindere ligging en voorzieningen van de huurwoning. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde adequaat onderbouwde met een waardematrix en vergelijkingsobjecten die qua bouwjaar en inhoud passend waren. De inhoud van de woning was correct vastgesteld op 342 m³, gebaseerd op bouwtekeningen.
Het hof verwierp de stelling dat onvoldoende rekening was gehouden met verschillen in ligging en voorzieningen, aangezien de waardematrix hiervoor correct corrigeerde. Ook het bezwaar dat de woning vanwege contractuele verplichtingen 10 jaar onverkoopbaar zou zijn en dit waardedrukkend werkt, werd verworpen op grond van de verkrijgingsfictie. De rechtbank en heffingsambtenaar hadden voldoende gemotiveerd op deze bezwaren gereageerd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.