Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden van zijn vrijstaande woning op de peildata 1 januari 2013 en 1 januari 2016. De heffingsambtenaar had de waarde op de eerste peildatum verminderd, maar de waarde op de tweede peildatum gehandhaafd. De Rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof.
Het Hof heeft tijdens de zitting op 10 januari 2019 zowel belanghebbende als de taxateur van de heffingsambtenaar gehoord. Uit de taxatierapporten blijkt dat de waarde van de woning is bepaald aan de hand van vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende. Daarbij is rekening gehouden met onder meer de staat van onderhoud, de kwaliteit van de woning, de bruikbaarheid van de zolder, de staat van de kelder, en aanwezige erfdienstbaarheden.
Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar met de overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarden niet te hoog zijn vastgesteld. De stellingen van belanghebbende leiden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.