Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de V.O.F.] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[maat 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[maat 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5268195 \ CV EXPL 16-7581)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met twee producties (genummerd 7 en 8);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
- [appellant] en zijn tante, mevrouw [tante van appellant] , (hierna genoemd: [tante van appellant] ) zijn erfgenamen in de nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster] , zijnde respectievelijk de oma van [appellant] en de moeder van [tante van appellant] .
- Tot de nalatenschap behoort de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] .
- [appellant] en [tante van appellant] hebben op 9 september 2013 opdracht gegeven aan [de V.O.F.] tot bemiddeling bij de verkoop van de woning voor een vraagprijs van € 189.000,00. In de overeenkomst van opdracht is onder 2 een honorarium overeengekomen van 1,5% van de koopsom. In artikel 12d van de overeenkomst is een regeling opgenomen over vergoeding van kosten bij – onder meer – intrekking van de opdracht.
- [maat 1] heeft de verkoop ter hand genomen.
- [appellant] – vertegenwoordigd door zijn stiefvader de heer [stiefvader van appellant] – heeft bij e-mailbericht van 27 februari 2015 aan [de V.O.F.] bericht dat hij [makelaardij] Makelaardij te [vestigingsplaats] heeft ingeschakeld om het pand te [plaats] tegen gelijke voorwaarden als met [de V.O.F.] is overeengekomen te verkopen en dat er dan ook twee verkoopborden op het perceel geplaatst zullen staan. [de V.O.F.] heeft bij e-mail van diezelfde datum aan [stiefvader van appellant] het volgende meegedeeld:
- Bij e-mail van 5 maart 2015 heeft [stiefvader van appellant] namens [appellant] onder meer meegedeeld dat hij de samenwerking tot verkoop wenst te beëindigen, dat hij het verkoopbord van [de V.O.F.] heeft verwijderd en in huis geplaatst.
- [appellant] heeft vervolgens het volgens artikel 12d van de overeenkomst van opdracht bij intrekking verschuldigde bedrag van € 350,00 aan [de V.O.F.] betaald.
- Bij e-mail van haar advocaat van 26 juni 2015 heeft [tante van appellant] [appellant] gesommeerd zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning tegen een prijs van € 145.000,00.
- Bij e-mail van 3 juli 2015 heeft [stiefvader van appellant] namens [appellant] aan de advocaat van [tante van appellant] onder meer meegedeeld dat de vraagprijs € 150.000,-- dient te blijven.
- [tante van appellant] heeft [appellant] vervolgens bij dagvaarding van 15 juli 2015 in kort geding betrokken en veroordeling van [appellant] gevorderd tot medewerking aan verkoop van de woning voor € 145.000,00, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
- Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het kort geding op 29 juli 2015 hebben [appellant] en [tante van appellant] een minnelijke regeling getroffen die volgens het proces-verbaal van de zitting onder meer het volgende inhoudt:
- Het staat [appellant] niet vrij om het debat over de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter te heropenen. De kantonrechter gaat voorbij aan hetgeen [appellant] daarover heeft gesteld (rov. 4.4).
- De woning aan de [adres] te [plaats] is door bemiddeling van [de V.O.F.] verkocht voor € 145.000,--. Dit bedrag vloeit in de nalatenschap, waarin [appellant] en [tante van appellant] deelgenoot zijn. De courtage moet dus in beginsel voor rekening van beide deelgenoten komen (rov. 4.5).
- Het verweer van [appellant] dat de courtage door [tante van appellant] zou worden gedragen, treft geen doel (rov. 4.8).
- Het verweer van [appellant] dat hij niet in de courtage van [de V.O.F.] hoeft bij te dragen omdat hij reeds de kosten [makelaardij] Makelaardij heeft voldaan, treft geen doel (rov. 4.9).
- Het is redelijk dat beide deelgenoten elk de helft van de courtage voldoen. [appellant] moet dus veroordeeld worden om € 1.502,06 aan [geintimeerden c.s.] te voldoen.
- [appellant] veroordeeld om aan [geintimeerden c.s.] € 1.502,06 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur;
- [appellant] in de proceskosten veroordeeld;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
4.De uitspraak
- verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;
- veroordeelt [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op € 550,-- aan salaris gemachtigde;