Appellante verzocht de rechtbank Limburg om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van €37.629,38, waaronder een fraudevordering van €10.053,05. De rechtbank wees het verzoek af omdat appellante niet te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de verplichtingen van de regeling zou nakomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij studiefinanciering ontving en actief naar werk zocht naast haar studie, dat schulden ouder dan vijf jaar niet in de weg staan aan toelating, en dat haar schulden deels voortkomen uit complexe psychosociale omstandigheden. Zij stelde dat zij bereid is haar studie af te ronden en inkomsten te genereren, mede ondersteund door een beschermingsbewindvoerder.
Het hof oordeelde dat appellante niet te goeder trouw was geweest omdat zij in de jaren voorafgaand aan het verzoek niet voldoende had geprobeerd haar schulden af te lossen en geen fulltime arbeidsverplichting kon nakomen vanwege haar voltijd studie. Ook was zij sinds november 2018 zonder geldige verblijfsvergunning, wat toelating verder belemmert. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek af.