Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/200852 / HA ZA 15-21)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met één productie (het bestreden vonnis);
- de door [Bouwservice] genomen memorie van grieven in principaal hoger beroep, tevens houdende wijziging van eis, met acht producties (genummerd 2 tot en met 9);
- de door Wonen Limburg genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met één productie;
- de door [Bouwservice] genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- het pleidooi van 26 september 2019, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 23 september 2019 door [Bouwservice] toegezonden productie 10 (een schematisch overzicht), die [Bouwservice] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
- [Bouwservice] is een aannemersbedrijf dat zich hoofdzakelijk bezighoudt met de (particuliere) woningbouw en het onderhoud van woningen.
- Wonen Limburg is medio 2012 ontstaan uit Stichting Wonen [vestigingsnaam] (hierna: Wonen [vestigingsnaam] ) en Stichting Wonen Roer en Maas (hierna: Wonen Roer en Maas). Zij beheert en exploiteert woningen.
- [Bouwservice] heeft in opdracht van Wonen Limburg en haar rechtsvoorgangers bij verschillende gelegenheden woningen gebouwd. De opdrachtverstrekking daarbij verliep via aanbestedingsprocedures. Deze werkzaamheden zijn voor de onderhavige procedure niet van belang.
- [Bouwservice] heeft voorts in opdracht van Wonen Limburg en haar rechtsvoorgangers regelmatig reparatie-, renovatie- en/of onderhoudswerkzaamheden aan woningen uitgevoerd. De opdrachten tot het verrichten van reparatie-, renovatie- en/of onderhoudswerkzaamheden werd gegeven via opdrachtbonnen. In geval van grote projecten/opdrachten werd van te voren een offerte gevraagd bij meerdere aannemers, onder wie [Bouwservice] .
- In januari 2011 hebben Wonen [vestigingsnaam] als opdrachtgever en [Bouwservice] als aannemer een “overeenkomst reparatieverzoeken” gesloten (hierna: de reparatieovereenkomst). In de considerans van de overeenkomst staat onder meer het volgende:
- Medio juni 2012 heeft de aan het begin van deze rechtsoverweging al genoemde samenvoeging van Stichting Wonen [vestigingsnaam] (hierna: Wonen [vestigingsnaam] ) en Stichting Wonen Roer en Maas (hierna: Wonen Roer en Maas) tot Wonen Limburg plaatsgevonden. Wonen Limburg heeft bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep sub 17 gesteld dat deze samenvoeging per 1 januari 2012 heeft plaatsgevonden maar zij heeft deze stelling bij gelegenheid van het pleidooi desgevraagd niet langer gehandhaafd.
- Met ingang van 1 januari 2013 is de reparatieovereenkomst stilzwijgend wederom voor een jaar verlengd.
- Wonen Limburg heeft aan [Bouwservice] twee brieven van 28 juni 2013 gezonden. Een van deze brieven begint met de volgende zin:
- Bij brief van 15 oktober 2013 heeft Wonen Limburg aan [Bouwservice] meegedeeld, kort gezegd, dat de leveranciersselectie voor het niet planmatig onderhoud is gemaakt, dat de keuze niet op [Bouwservice] is gevallen, dat aan de samenwerking met [Bouwservice] dus een einde komt en dat Wonen Limburg wil zorgen voor een juiste afhandeling van de nog openstaande opdrachten.
- Bij brief van 20 december 2013 heeft [Bouwservice] aan Wonen Limburg onder meer het volgende meegedeeld:
- Bij factuur van 10 januari 2014 heeft [Bouwservice] aan Wonen Limburg € 97.424,66 in rekening gebracht ter zake ‘materialenvoorraad’. Bij de factuur is een specificatie van materialen gevoegd.
- Wonen Limburg heeft de factuur geretourneerd met de mededeling dat er geen opdracht door haar is verstrekt.
- Bij brief van 21 maart 2014 heeft de toenmalige advocaat van [Bouwservice] aan Wonen Limburg meegedeeld dat de vigerende overeenkomst ter zake onderhoudswerkzaamheden niet tussentijds kon worden opgezegd en dat de opzegging niet eerder effect kan hebben dan tegen het einde van de looptijd van de overeenkomst, zijnde 31 december 2013. Voorts is Wonen Limburg in de brief aansprakelijk gesteld voor de waarde van de door [Bouwservice] met het oog op de overeenkomst aangelegde voorraad van specifieke materialen.
- Bij brief van 16 april 2014 heeft Wonen Limburg aan de toenmalig advocaat van [Bouwservice] meegedeeld dat geen sprake is van een wederrechtelijke tussentijdse opzegging van de overeenkomst en dat Wonen Limburg niet gehouden is om enige compensatie te voldoen aan [Bouwservice] .
- Bij brief van 31 juli 2014 heeft de advocaat van [Bouwservice] aan Wonen Limburg onder meer meegedeeld dat de opzegging van de tussen partijen bestaande duurovereenkomst onregelmatig is omdat Wonen Limburg daarbij geen opzegtermijn in acht heeft genomen en geen reële compensatie heeft aangeboden terwijl Wonen Limburg daartoe wel gehouden was. In de brief is aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 97.494,66 ter zake van de materialenvoorraad.
- I. tussen partijen een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan;
- II. Wonen Limburg toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van deze duurovereenkomst, althans gehouden was een aanbod aan [Bouwservice] te doen tot vergoeding van haar schade ten gevolge van de opzegging van deze duurovereenkomst;
- III. de opzegging van de reparatieovereenkomst onrechtmatig is;
- IV. Wonen Limburg onrechtmatig jegens [Bouwservice] heeft gehandeld door [Bouwservice] in de waan te laten / te brengen dat de relatie zou worden gecontinueerd;
- V. Wonen Limburg gehouden is de schade te vergoeden die [Bouwservice] heeft geleden ten gevolge van het feit dat Wonen Limburg toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [Bouwservice] en/of een onrechtmatige daad jegens [Bouwservice] heeft gepleegd;
- een hoofdsom van € 97.494,66 ter zake de materialenvoorraad;
- € 5.484,54 aan wettelijke handelsrente over de hoofdsom, over de periode tot en met 30 september 2014;
- € 1.749,95 aan buitengerechtelijke incassokosten.
- Tussen Wonen Limburg en [Bouwservice] is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Wonen Limburg heeft deze duurovereenkomst bij brief van 15 oktober 2013 ten onrechte per direct opgezegd zonder daarbij een redelijke opzegtermijn te hanteren en zonder daarbij een aanbod tot vergoeding van de door de opzegging geleden schade te doen. Wonen Limburg is dus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de duurovereenkomst en daarom gehouden tot schadevergoeding.
- Bovendien heeft Wonen Limburg de reparatieovereenkomst, die alleen zag op reparatieverzoeken binnen de gemeente Weert , beëindigd in strijd met de inhoud van die overeenkomst. Wonen Limburg is dus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de reparatieovereenkomst en daarom gehouden tot schadevergoeding.
- Wonen Limburg heeft voorts bij [Bouwservice] het gerechtvaardigd vertrouwen opgewekt dat de relatie met [Bouwservice] zou worden gecontinueerd, en desondanks de relatie plotsklaps beëindigd. Dit is onrechtmatig en ook op die grond is Wonen Limburg gehouden tot vergoeding van de schade die [Bouwservice] heeft geleden.
- Er kan niet worden aangenomen dat tussen partijen een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Er kan dus ook niet worden aangenomen dat Wonen Limburg in de nakoming van de gestelde duurovereenkomst tekortgeschoten is. De onder I en II gevorderde verklaringen voor recht moeten daarom worden afgewezen. De vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen voor zover die gebaseerd is op een tekortkoming in de nakoming van de gestelde duurovereenkomst (rov. 4.2 tot en met 4.9).
- [Bouwservice] heeft aan mededelingen van opzichters niet het vertrouwen mogen ontlenen dat aan haar een opdracht tot het verder verrichten van werkzaamheden zou worden gegund. De onder IV gevorderde verklaring voor recht moet daarom worden afgewezen. De vordering tot schadevergoeding moet dus worden afgewezen voor zover die gebaseerd is op het gestelde opgewekte vertrouwen (rov. 4.11).
- Wonen Limburg had de voor bepaalde tijd aangegane reparatieovereenkomst, die zij per 30 september 2013 heeft opgezegd, pas tegen 31 december 2013 kunnen beëindigen. De onder III gevorderde verklaring voor recht is daarom toewijsbaar (rov. 4.12 tot en met 4.15).
- [Bouwservice] heeft de door haar gestelde schade ter zake de overgebleven materialenvoorraad niet deugdelijk onderbouwd, zodat de ter zake de voortijdige opzegging van de reparatieovereenkomst gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen (rov. 4.16).
- Gelet op de beslissing in conventie hoeft de eis in voorwaardelijke reconventie niet besproken te worden (rov. 4.18).
- voor recht verklaard dat de opzegging van de reparatieovereenkomst onrechtmatig is;
- het meer of anders gevorderde afgewezen;
- de proceskosten gecompenseerd tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen.
- 1. dat tussen partijen een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan;
- 2. dat Wonen Limburg toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de duurovereenkomst, althans dat Wonen Limburg in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid, door deze duurovereenkomst rauwelijks op te zeggen dan wel door bij de opzegging geen redelijke opzegtermijn in acht te hebben genomen dan wel door bij de opzegging geen aanbod tot betaling van schadevergoeding te hebben gedaan, en derhalve aansprakelijk is voor de schade die [Bouwservice] daardoor heeft geleden;
- 3. dat Wonen Limburg toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de reparatieovereenkomst wegens het niet in acht nemen van de geldende opzegtermijn en dus aansprakelijk is voor de schade die [Bouwservice] daardoor heeft geleden;
- a. het bestreden vonnis ten dele zal vernietigen voor zover daarbij voor recht is verklaard dat de opzegging van de reparatieovereenkomst onrechtmatig is geweest en voor zover daarbij de proceskosten van het geding in conventie tussen partijen zijn gecompenseerd;
- b (naar het hof begrijpt:) opnieuw rechtdoende de door [Bouwservice] gevorderde verklaring voor recht alsnog geheel zal afwijzen;
- c. opnieuw rechtdoende voor recht zal verklaren dat de opzegging van de reparatieovereenkomst op goede gronden is geschied en dat Wonen Limburg niet schadeplichtig is jegens [Bouwservice] ter zake het opzeggen van de reparatieovereenkomst;
- d. [Bouwservice] in de proceskosten van beide instanties zal veroordelen.
- Wonen Limburg en haar rechtsvoorgangers jarenlang opdrachten aan [Bouwservice] hebben gegeven tot het buiten dienstbetrekking tot stand brengen van werken van stoffelijke aard in de zin van artikel 7:750 lid 1 BW Pro;
- dat die opdrachten met name betrekking hadden op vraaggestuurd binnenonderhoud (hierna: ook aan te duiden als VGBO) en op reparatiewerkzaamheden (memorie van grieven sub 10 en 11);
- dat daardoor een langlopende reeks van losse overeenkomsten van aanneming van werk is ontstaan;
- dat gelet op die reeks en de bijkomende omstandigheden van dit geval tussen partijen een raamovereenkomst voor onbepaalde tijd (een duurovereenkomst) is ontstaan, die voor Wonen Limburg de verbintenis meebracht om aan [Bouwservice] in vergelijkbare mate opdrachten te blijven verstrekken, althans om het verstrekken van die opdrachten niet plotseling te staken.
- A. een grote mate van afhankelijkheid van de opdrachtnemer van de opdrachtgever;
- B. een op de opdrachtgever ingericht productieproces;
- C. het gedaan hebben van bijzondere investeringen;
- D. de aard van de relatie (bijvoorbeeld het werken op een voorraadbasis, welke voorraad onverkoopbaar wordt of waarvoor exclusiviteit geldt);
- E. de omstandigheid dat de opgezegde partij gedurende een lange periode steeds op dezelfde wijze is ingeschakeld;
- F. het vertrouwen dat de – in dit geval – opdrachtnemer mocht hebben dat hij zou worden ingeschakeld voor het uitvoeren van de werkzaamheden;
- G. het bestaan van doorlopende verplichtingen;
- H. de kennelijke bedoeling van partijen om afspraken te maken voor onbepaalde duur.
- ad A. Dat [Bouwservice] voor haar bedrijfsvoering in grote mate afhankelijk was van opdrachten van Wonen Limburg, heeft [Bouwservice] naar het oordeel van het hof tegenover het verweer van Wonen Limburg ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Het hof tekent hierbij aan dat uit de door Wonen Limburg overgelegde jaarstukken van [Bouwservice] weliswaar blijkt van een min of meer geleidelijke daling van het aantal personeelsleden van [Bouwservice] in de periode van 2011 (23,9) tot 2015 (13,4), maar deze daling is al ingezet ruim vóór de door [Bouwservice] gestelde onjuiste opzegging van de gestelde duurovereenkomst in oktober 2013. [Bouwservice] heeft bovendien niet betwist dat zij haar bedrijfsvoering na oktober 2013, weliswaar met iets minder personeelsleden dan voorheen, heeft kunnen voortzetten. Zij heeft ook niet (voldoende) toegelicht welk deel van haar omzet getroffen werd door de opzegging. Dat het voortbestaan van [Bouwservice] door de beëindiging van de relatie met Wonen Limburg op enigerlei wijze in gevaar is gekomen, is niet gesteld of gebleken.
- ad B. Ook van een op Wonen Limburg ingericht productieproces is het hof niet gebleken. Er is geen sprake van dat [Bouwservice] voor Wonen Limburg bepaalde producten moest produceren en daarvoor een specifiek productieproces moet hanteren. Er is niet gesteld of gebleken dat de werkzaamheden die [Bouwservice] voor Wonen Limburg verrichtte, in relevante mate afweken van werkzaamheden die [Bouwservice] voor haar andere opdrachtgevers verrichtte. Het enkele feit dat [Bouwservice] in verband met haar werkzaamheden voor Wonen Limburg bepaalde materialen in voorraad hield, is onvoldoende om te kunnen spreken van een op de opdrachtgever ingericht productieproces. Het hof zal bij hieronder bij de bespreking van de gezichtspunten C en D nader op deze materialenvoorraad ingaan.
- ad C en D. Van door [Bouwservice] gedane bijzondere investeringen is naar het oordeel van het hof niet in die mate gebleken dat met inachtneming daarvan tot het bestaan van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden geconcludeerd. [Bouwservice] heeft weliswaar met het oog op de uitvoering van de opdrachten van [Bouwservice] een bepaalde materialenvoorraad aangelegd, maar dit betreft ten dele – zoals van de zijde van [Bouwservice] bij het pleidooi in hoger beroep op vragen van het hof is erkend – materialen die zij ook bij het verrichten van werkzaamheden voor andere opdrachtgevers kan gebruiken. In zoverre is geen sprake van een specifiek voor Wonen Limburg aangehouden voorraad. Ten aanzien van de gestelde minder courante voorraden, zoals tegels, heeft [Bouwservice] voorts onvoldoende toegelicht waarom het nodig was om daarvan grote voorraden aan te houden. Het mag zo zijn dat bewoners uit diverse kleuren tegels konden kiezen, maar om die keuze te bieden hoefde [Bouwservice] slechts enkele monsters van elke kleur beschikbaar te hebben. Het kan voor [Bouwservice] wellicht prijsvoordelen en andere voordelen hebben geboden om ruime voorraden aan te houden, maar dat is primair iets dat [Bouwservice] zelf regardeert. Daar komt nog bij dat uit de stellingen van [Bouwservice] volgt dat zij deze voorraden met name heeft aangehouden voor het uitvoeren van reparaties en VGBO, terwijl uit de in rov. 3.1 van dit arrest opgesomde feiten volgt dat Wonen Limburg, althans Wonen [vestigingsnaam] , ten aanzien daarvan overeenkomsten voor bepaalde tijd met [Bouwservice] heeft gesloten. De voorraden kunnen dus niet worden geacht zozeer te zijn aangehouden voor de uitvoering van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar dienden (kennelijk) grotendeels voor de uitvoering van de met Wonen [vestigingsnaam] gesloten overeenkomsten voor bepaalde tijd ter zake reparatiewerkzaamheden en VGBO. Bovendien staat tussen partijen vast dat ten aanzien van de door [Bouwservice] aanhouden voorraad geen exclusiviteit geldt. Het staat [Bouwservice] dus zonder meer vrij om de betreffende materialen bij de uitvoering van andere opdrachten te gebruiken. Voor zover bepaalde delen van de voorraad gelet op hun kleur of vormgeving heden ten dage minder gewild zijn, is dat naar het oordeel van het hof iets dat primair voor rekening van [Bouwservice] komt, mede omdat [Bouwservice] onvoldoende heeft onderbouwd dat de omvang van de voorraad, voor zover zij die daadwerkelijk in verband met de opdrachten van Wonen Limburg diende aan te houden, zodanig was dat die als een bijzondere investering te beschouwen is.
- ad E. Tussen partijen is niet in geschil dat [Bouwservice] gedurende een lange periode (meerdere jaren) steeds op dezelfde wijze is ingeschakeld. Die enkele omstandigheid is naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om van het (ontstaan en) bestaan van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd te kunnen spreken. Dat geldt te meer omdat de wijze waarop partijen met elkaar zaken deden, in 2011 in belangrijke mate is gewijzigd. Voor een groot deel van de werkzaamheden (de in het rayon van Wonen [vestigingsnaam] te verrichten reparatiewerkzaamheden en VGBO) zijn overeenkomsten voor bepaalde tijd gesloten, in het kader waarvan aan [Bouwservice] duidelijk is gemaakt dat Wonen Limburg bezig was met een grote organisatiewijziging, die tot gevolg kon hebben dat bepaalde aannemers niet langer zouden worden ingeschakeld. Dat wijst er niet op dat partijen ten aanzien van die werkzaamheden nog een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd beoogden.
- ad F. Bij de beantwoording van de vraag of [Bouwservice] er in dit geval ten tijde van de verzending van de opzeggingsbrieven van 28 juni 2013 of ten tijde van verzending van de brief van 15 oktober 2013 nog op mocht vertrouwen dat zij ook in de toekomst zou worden ingeschakeld voor het uitvoeren van de werkzaamheden, acht het hof van belang dat Wonen [vestigingsnaam] al in haar brief van 22 december 2011 aan [Bouwservice] heeft meegedeeld dat er binnen Wonen Limburg (dus ook ten aanzien van het rayon Wonen Roer en Maas) grote organisatieveranderingen op stapel stonden. Daar komt bij dat het aan [Bouwservice] op grond van de considerans van de in januari 2011 gesloten reparatieovereenkomst al duidelijk was dat er een selectie van aannemers zou gaan plaatsvinden zodat niet uit te sluiten viel dat zij vanaf enig moment geen nieuwe opdrachten meer zou krijgen. Dit alles maakt dat [Bouwservice] er niet vanuit heeft mogen gaan dat zij ongewijzigd opdrachten zou blijven ontvangen van Wonen Limburg.
- ad G. Dat [Bouwservice] bepaalde langlopende verplichtingen is aangegaan om de opdrachten van Wonen Limburg te kunnen blijven uitvoeren, is niet gesteld of gebleken.
- ad H. Van een kennelijke bedoeling van partijen om afspraken te maken voor onbepaalde duur, is niet, althans in onvoldoende mate, gebleken. Ook hierbij is van belang dat de wijze waarop partijen met elkaar zaken deden, in 2011 in belangrijke mate is gewijzigd. Voor een groot deel van de werkzaamheden (de in het rayon van Wonen [vestigingsnaam] te verrichten reparatiewerkzaamheden en VGBO) zijn overeenkomsten voor bepaalde tijd gesloten, in het kader waarvan aan [Bouwservice] duidelijk is gemaakt dat Wonen Limburg bezig was met een grote organisatiewijziging, die tot gevolg kon hebben dat bepaalde aannemers niet langer zouden worden ingeschakeld. Dat wijst er niet op dat partijen ten aanzien van die werkzaamheden nog een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd beoogden.
- de in januari 2011 tussen Wonen [vestigingsnaam] en [Bouwservice] voor het kalenderjaar 2011 gesloten reparatieovereenkomst, die voor het jaar 2012 en vervolgens, na het ontstaan van Wonen Limburg, ook voor het jaar 2013 is verlengd;
- de volgens Wonen Limburg in januari 2012 tot stand gekomen overeenkomst VGBO.
- dat zij het aantal aannemers waar zij zaken mee deed, wilde verminderen;
- dat de selectie van het beperktere aantal aannemers per 1 oktober 2013 geëffectueerd zou worden;
- dat [Bouwservice] in augustus 2013 meer informatie zou kunnen inwinnen om aan de selectie deel te nemen;
- dat de reparatieovereenkomst en de overeenkomst VGBO daarom worden opgezegd per 30 september 2013, derhalve met een opzegtermijn van drie maanden, waardoor de overeenkomsten eindigen per 30 september 2013;
- dat [Bouwservice] de mogelijkheid heeft om vóór 1 oktober 2013 schriftelijk te reageren op de opzegging en dat reacties die ná 1 oktober 2013 worden ontvangen, niet meer in behandeling worden genomen.
Door niet te protesteren en zelf deel te nemen aan de aanbestedingsprocedure en vervolgens pas aanspraak te maken op het mogen uitvoeren van een deel van deze werkzaamheden nadat deze werkzaamheden aan een andere partij waren gegund, is Wonen Limburg bovendien benadeeld. Indien [Bouwservice] haar eventuele bezwaren tegen de opzegging per 30 september 2013, zoals haar uitdrukkelijk was gevraagd, vóór 1 oktober 2013 aan Wonen Limburg kenbaar zou hebben gemaakt, had Wonen Limburg de gelegenheid gehad om de aanbestedingsprocedure dusdanig in te richten dat rekening kon worden gehouden met eventuele aanspraken van [Bouwservice] .
Zo had Wonen Limburg dan bijvoorbeeld de reparatieovereenkomst kunnen beëindigen per 31 december 2013 en [Bouwservice] in het laatste kwartaal van 2013 nog van opdrachten kunnen voorzien. Die mogelijkheid heeft [Bouwservice] aan Wonen Limburg ontnomen door niet eerder dan bij brief van 20 december 2013 aanspraak te maken op een vergoeding voor de door haar ten behoeve van de reparatieovereenkomst aangehouden materialenvoorraad.
- dat Wonen Limburg bij [Bouwservice] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt dat de relatie met [Bouwservice] zou worden gecontinueerd;
- dat Wonen Limburg desondanks de relatie plotsklaps heeft beëindigd;
- dat dit onrechtmatig is en dat Wonen Limburg (ook) op die grond gehouden is tot vergoeding van de schade die [Bouwservice] door de beëindiging van de relatie heeft geleden.
- dat [Bouwservice] aan mededelingen van opzichters niet het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat aan haar een opdracht tot het verder verrichten van werkzaamheden zou worden gegund;
- dat de onder IV gevorderde verklaring voor recht daarom moet worden afgewezen;
- dat de vordering tot schadevergoeding dus moet worden afgewezen voor zover die gebaseerd is op het gestelde opgewekte vertrouwen (rov. 4.11).
- toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de duurovereenkomst, althans in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid, door deze duurovereenkomst op te zeggen zonder een redelijke opzegtermijn in acht te nemen en zonder een aanbod tot betaling van schadevergoeding te doen;
- toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de reparatieovereenkomst wegens het niet in acht nemen van de geldende opzegtermijn.
- A. De reparatieovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van aanneming van werk. Op grond van artikel 7:764 BW Pro is de opdrachtgever te allen tijde bevoegd om een overeenkomst van aanneming van werk op te zeggen. Het stond Wonen Limburg dus vrij om de reparatieovereenkomst op te zeggen tegen 30 september 2013.
- B. De reparatieovereenkomst moet subsidiair worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Het stond Wonen Limburg op grond van artikel 7:408 BW Pro vrij om die overeenkomst op te zeggen tegen 30 september 2013.
- C. Artikel 9 lid 2 van Pro de op de reparatieovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden gaf Wonen Limburg het recht om de overeenkomst op te zeggen tegen 30 september 2013.
- dat zij heeft deelgenomen aan de aanbesteding zonder het standpunt in te nemen en kenbaar te maken dat zij er niet mee instemde dat de opdracht zou worden aanbesteed met als ingangsdatum 1 oktober 2013 in plaats van een later gelegen datum;
- dat zij er vanuit ging dat ze zou worden geselecteerd in de aanbesteding;
- dat zij, toen bleek dat ze niet geselecteerd was, zich daarbij heeft neergelegd.
- A. Uit lid 2 van artikel 7:764 lid 1 BW Pro volgt dat lid 1 van dat artikel betrekking heeft op een overeenkomst van aanneming van werk die op een bepaald afgebakend werk ziet. De reparatie-overeenkomst is niet een dergelijke overeenkomst maar een raamovereenkomst die niet op een concreet afgebakend werk betrekking heeft. Het beroep van Wonen Limburg op artikel 7:764 lid 1 BW Pro kan reeds om deze reden geen doel treffen.
- B. De reparatieovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW Pro (strekkende tot het verrichten van werkzaamheden die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard). Het beroep van Wonen Limburg op artikel 7:408 BW Pro kan reeds om die reden geen doel treffen.
- C. Naar het oordeel van het hof heeft Wonen Limburg onvoldoende onderbouwd dat de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging van een overeenkomst, die is neergelegd in artikel 9 lid 2 van Pro de op de reparatieovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden, niet alleen betrekking heeft op afzonderlijke overeenkomsten van aanneming van werk, maar ook op de als een raamovereenkomst te beschouwen reparatieovereenkomst waarbij Wonen Limburg zich er in beginsel toe heeft verbonden om aan [Bouwservice] gedurende het lopende kalenderjaar met [Bouwservice] dergelijke overeenkomsten van aanneming van werk te sluiten. De uitleg die [Bouwservice] aan artikel 9 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden geeft, te weten dat dit artikel geen betrekking heeft op de voor bepaalde tijd aangegane reparatieovereenkomst (raamovereenkomst) maar alleen op de op basis van deze raamovereenkomst gesloten concrete overeenkomsten van aanneming van werk, sluit beter aan bij artikel 8 van Pro de reparatie-overeenkomst, waarin uitdrukkelijk een looptijd van 1 jaar is overeengekomen zonder mogelijkheid om de raamovereenkomst tussentijds op te zeggen (anders dan in de vorm van een ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst).
- voor recht is verklaard dat de opzegging van de reparatieovereenkomst onrechtmatig is;
- de proceskosten van het geding in conventie tussen de partijen zijn gecompenseerd.
4.De uitspraak
- voor recht is verklaard dat de opzegging van de reparatieovereenkomst onrechtmatig is;
- de proceskosten van het geding in conventie tussen de partijen zijn gecompenseerd;
- wijst de vordering ter zake de genoemde verklaring voor recht alsnog af;
- veroordeelt [Bouwservice] in de proceskosten van het geding in conventie en begroot die kosten aan de zijde van Wonen Limburg tot op heden op € 3.864,-- aan griffierecht en op € 6.828,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;