Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vof] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[de vennootschap 2] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5444523 / 16-5993)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven van [appellant] van 7 november 2017 met één productie;
- de memorie van antwoord van de v.o.f. c.s. van 19 december 2017.
3.De beoordeling
“Vanwege (langdurige) afwezigheid van mijn adviseur heb ik stukken zelf even doorgenomen. Onderstaand mijn opmerkingen/vragen. (…) Graag je antwoord op bovenstaande vragen zodat ik die mee kan nemen in bespreking met mijn adviseur.(…)”.
- opbouwpercentage naar 1,82%
- geen maximum salaris te hanteren
- franchise wordt aangepast naar minimale franchise
- NP 70% van het OP
- AOP 70%
- extra inkoop bij collectief tot tijdsevenredige aanspraken
De tot 31 december 2006 opgebouwde rechten alsmede de nieuw op te bouwen rechten worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de jaarlijkse loonindex (CAO-verhoging) bij [de vof] .” Uit de omstandigheid dat in punt 6 slechts een uitzondering wordt gemaakt voor indexering na het bereiken van de pensioenleeftijd leidt [appellant] af dat de indexering van de opgebouwde aanspraken ook na uitdiensttreding dient te worden voortgezet. Het standpunt van [de vof] komt erop neer dat na uitdiensttreding geen andere indexatie meer van toepassing is dan op grond van de collectieve regeling waarbij het pensioen van [appellant] was ondergebracht en dat vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen sprake meer is geweest van nog op te bouwen pensioenaanspraken.