Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 6 november 2018, waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen van 29 januari 2019;
- de memorie van grieven met 14 bijlagen;
- de memorie van antwoord met eveneens 14 bijlagen;
- het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van 20 augustus 2019.
6.De beoordeling
a. Tenzij werkgever werknemer daartoe voorafgaand schriftelijke toestemming heeft verleend, is het werknemer verboden, om gedurende een periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, zelf in enigerlei vorm een onderneming, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan de onderneming van werkgever – of aan een met werkgever gelieerde onderneming – te drijven, mede te drijven, te doen of te laten drijven, hetzij direct, hetzij indirect alsook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke onderneming belang te hebben. Gedurende deze periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst is het werknemer eveneens verboden, hetzij direct, hetzij indirect, in of voor een onderneming, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan de onderneming van werkgever – of aan een met werkgever gelieerde onderneming –, op enigerlei wijze werkzaam te zijn, tegen vergoeding of om niet, hetzij om daarin aandeel van welke aard ook te hebben. Het verbod beperkt zich tot een gelijk, gelijksoortige of aanverwante onderneming aan de onderneming van werkgever – of aan een met werkgever gelieerde onderneming – die gevestigd is in Europa dan wel activiteiten ontplooit binnen Europa.
Geachte heer [appellant] , beste [roepnaam van appellant] ,
Ten aanzien van uw vraag omtrent mijn functie en de nieuwe werkgever deel ik u mede dat ik vanaf 1 mei 2018 in dienst treed van de firma ‘ [composites] Composites GmbH’. Dit bedrijf levert en produceert gesloten vezelsterkte composiet afwerkingsmaterialen voor diverse sectoren in een groot aantal verschillende landen. De combinatie van het productieproces, het eindproduct, de klantengroep, de eindverwerkers, en het afzetgebied, is op geen enkele manier concurrerend met de producten, diensten, of gebruikers van de firma ‘ [de vennootschap] ’, welk bedrijf zich specifiek bezig houdt met transparante daglichtvoorzieningen in het dakvlak.
Van Daleis een onderneming een ‘zelfstandig, op winst gericht bedrijf of complex van bedrijven als zodanig (de ‘onderneming’ is een economische eenheid, i.t.t. het ‘bedrijf’, dat een technische eenheid vormt)’. Het begrip ‘onderneming’ kan in het spraakgebruik dus zowel op een zelfstandig bedrijf als op een complex van bedrijven duiden. De door [de vennootschap] bepleite ruime uitleg van het beding, waarin (ook) een concern of groep als een onderneming in de zin van het concurrentiebeding heeft te gelden, is naar het oordeel van het hof echter niet goed te rijmen met de manier waarop het beding verder is geformuleerd. Kennelijk om ook concurrentie met andere onderdelen van de [Group] Group te voorkomen, is in het beding toegevoegd dat werkzaamheden voor (kort gezegd) concurrenten van ‘aan de werkgever gelieerde ondernemingen’ verboden zijn. Als onder ‘onderneming’ een groep of concern dient te worden verstaan, is de toevoeging in deze bewoordingen niet goed te plaatsen. Dat geldt ook voor de laatste zin van het concurrentiebeding ‘Het verbod beperkt zich tot een gelijk, gelijksoortige of aanverwante onderneming aan de onderneming van de werkgever – of aan een met werkgever gelieerde onderneming – die gevestigd is in Europa dan wel activiteiten ontplooit binnen Europa.’ Bij de uitleg van het beding weegt naar het oordeel van het hof ook het volgende mee. [de vennootschap] beoogde als werkgever haar werknemer [appellant] beperkingen op te leggen wat betreft zijn vrije arbeidskeuze na uitdiensttreding. Het lag daarom in de eerste plaats op haar weg om aan [appellant] duidelijk te maken hoe ver die beperkingen in haar visie dienden te gaan. Als [de vennootschap] [appellant] had willen binden aan een beding met een veel grotere reikwijdte dan alleen een verbod om bij een concurrent te gaan werken, namelijk ook een verbod om te gaan werken bij een werkgever die onderdeel is van een groep waartoe een concurrent behoort, had zij dat duidelijk moeten maken. Dat zij dat heeft nagelaten, komt voor haar risico.
7.De uitspraak
- € 895,-- aan griffierecht en op € 980,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg in conventie en € 490,-- in reconventie;
- € 98,01 aan dagvaardingskosten, op € 318,-- aan griffierecht en op € 4.173,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep,
- voor wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;