In deze arbeidsrechtelijke procedure stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking van de kantonrechter Limburg, waarin het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet was afgewezen. De werknemer was op 27 augustus 2018 op staande voet ontslagen door de werkgever. De werknemer verzocht vernietiging van dit ontslag, waarop de werkgever een voorwaardelijk ontbindingsverzoek indiende voor het geval het ontslag niet zou standhouden.
De kantonrechter wees het verzoek van de werknemer af en verwierp het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van de werkgever omdat de voorwaarde, namelijk het niet-standhouden van het ontslag op staande voet, niet was ingetreden. De werknemer ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht herstel van de arbeidsovereenkomst.
Het hof oordeelde dat het hoger beroep van de werkgever uitsluitend gericht was op ontbinding van de arbeidsovereenkomst indien de werkgever werd veroordeeld tot herstel. Het hof stelde vast dat de voorwaarde waaronder het ontbindingsverzoek was ingesteld niet was ingetreden, waardoor het verzoek niet in behandeling kon worden genomen. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees de verzoeken van de werknemer af, waarbij het hof afzag van een proceskostenveroordeling in hoger beroep.