Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5842492 CV EXPL 17-2815)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep (met 14 grieven en een productie);
- de memorie van antwoord;
3.De beoordeling
“10.1 Indien deze overeenkomst eindigt op initiatief van de Stichting, dan wel onder omstandigheden of door handelen, dat voor rekening en risico van de Stichting dient te komen, dan wel met wederzijds instemmen van de Stichting en de heer [appellant] , zonder dat dit ontslag zijn uitsluitende of voornaamste reden vindt in handelingen of nalatigheid van de heer [appellant] zoals bedoeld in onder meer de artikelen 7:677 en 7:678 van het Burgerlijk Wetboek, zal de heer [appellant] gerechtigd zijn tot een schadevergoeding.10.2 De schadevergoeding zal één maal het laatstgenoten jaarinkomen bedragen.(…)”
In een verslag van een extra vergadering van de Raad van Toezicht van 25 april 2016 (prod. 31 inl. dagv.) is daarover onder meer het volgende vermeld:
“(..) Het besluit van de Raad van Toezicht is dat, gelet op de bestuurbaarheid van de organisatie en het welbevinden van de Raad van Bestuur, van de Raad van Bestuur niet langer verwacht kan worden dat zij de ontstane impasse tot een goed einde brengt. De Raad van Toezicht en Raad van Bestuur besluiten vanavond in goed overleg dat de Raad van Bestuur zijn bestuurlijke taken beschikbaar stelt aan de interim bestuurder per 1 juni 2016. De Raad van Toezicht wil dit per 1 juni a.s. en niet per direct omdat de Raad van Toezicht de ruimte moet hebben om op een goede manier te zoeken naar vervanging. (..) De onbestuurbaarheid van de organisatie is een gegeven aan het worden. De Raad van Bestuur zit een structurele oplossing in de weg. Dit is voor de Raad van Toezicht geen kwestie van een schuldvraag. In het belang van de veiligheid voor cliënten en medewerkers en in het belang van de continuïteit van de organisatie kunnen Raad van Bestuur en Raad van Toezicht niet gaan bakkeleien over de rol van het Managementteam en hoe dit moet worden aangepakt. Het is geen verwijt aan de Raad van Bestuur, maar een advies: “kies voor jullie zelf, dit ga je niet winnen.” Wat onverlet blijft is de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het eerste stuk: samen komen tot een vaststellingsovereenkomst, zoals besproken met de Remuneratiecommissie en de Raad van Bestuur en vandaag in de onderlinge vergadering van de Raad van Toezicht. (...) De Raad van Bestuur stelt als voorwaarde over het communiceren over zijn terugtreden per 1 juni 2016 dat de Raad van Bestuur en Raad van Toezicht er ook uitkomen conform de afspraken met de Remuneratiecommissie, op het andere stuk, te weten de vaststellingsovereenkomst. De Raad van Toezicht antwoordt dat dit het geval zal zijn. (..) ”.Onder de in het verslag opgenomen afspraken is verder vermeld:
“7. Deze week wordt er een concept vaststellingsovereenkomst opgesteld door de advocaat van de Raad van Toezicht en deze wordt toegezonden aan de advocaat van de Raad van Bestuur. Het is de bedoeling dat woensdag 11 mei (..) de vaststellingsovereenkomst definitief ondertekend wordt.”;
“(…) Advies re-integratie: Mijn advies aan betrokkene en RVT om z.s.m. weer in gesprek te gaan over oplossingen om uit de impasse te komen zodat betrokkene weer arbeids- en toekomstperspectief kan krijgen. Op langere termijn kan de huidige situatie de gezondheid van betrokkene schaden. (…) Werkzaamheden: verder af te spreken tussen RVT en betrokkene. (..)”Tussen de Raad van Toezicht en [appellant] heeft geen gesprek plaatsgevonden. In een email van 31 juli 2016 (prod. 36 inl.dagv.) heeft de voorzitter van de Raad van Toezicht aan [appellant] geschreven:
“Dag [roepnaam van appellant] , [naam 1] probeert morgen het proces rond de v.o. op gang te brengen.”[appellant] heeft op 4 augustus 2016 zijn huisarts bezocht die zijn ziekte formeel heeft herbevestigd (ten vervolge op eerdere afwezigheidsattesten voor de periodes 27 mei 2016 tot 17 juni 2016 en 8 juni 2016 tot 15 augustus 2016, prod. 58 [appellant] ).
“1. De arbeidsovereenkomst zal tussen partijen per 15 december 2016 met wederzijds goedvinden eindigen.(..)3. Het initiatief tot beëindiging ligt bij [de stichting] . (…)4. Het salaris vermeerderd met emolumenten zal door [de stichting] tot de einddatum aan de heer [appellant] worden doorbetaald. Het salaris, vermeerderd met alle emolumenten (…) zal worden voldaan inclusief de laatste indexeringsronde van 1-1-2016 (0,68%). De heer [appellant] erkent dat hij een bedrag van € 5.000,= bruto te veel aan salaris heeft ontvangen, welk bedrag bij de eindafrekening verrekend zal worden.
5. De heer [appellant] verricht vanaf 1 juni 2016 geen bestuurstaken meer (…) Er is geen sprake geweest van een periode van vrijstelling van werkzaamheden of van non-actiefstelling. De heer [appellant] was en is beschikbaar voor het verrichten van overdrachtswerkzaamheden aan de interim-bestuurder. De heer [appellant] is vanaf 27 mei wegens ziekte arbeidsongeschikt.
oor de toepassing van deze wet wordt bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt aangemerkt als datum waarop het dienstverband is geëindigd.”Deze bepaling heeft ten doel om een verkapte verhoging van een maximale beëindigingsvergoeding door het langer in dienst houden van een topfunctionaris met behoud van salaris en vrijstelling van werkzaamheden, tegen te gaan.