Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] , Spanje,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 juni 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;
- het proces-verbaal van pleidooi van 7 november 2018;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 19 september 2018 door [geintimeerden c.s.] toegezonden producties, die zij bij het pleidooi in het geding hebben gebracht.
6.De beoordeling
“latere aanpassing”) van artikel 3.7. [geintimeerden c.s.] stellen in dat verband dat zij zich niet kunnen herinneren dat zij een overeenkomst zijn aangegaan, die een dusdanige zwaarwegende persoonlijke aansprakelijkheid voor ieder van hen zou kunnen opleveren. Zij beroepen zich er verder op dat er sprake is van een afwijkende regelafstand en rechter kantlijn van het artikel ten opzichte van de rest van de overeenkomst.
“In case the Company cannot pay for the goods delivered by IGC”) ziet op een 50% betalingsverplichting voor [geintimeerden c.s.] in het geval dat IGC Spanje niet kan betalen voor de geleverde zaken. Dit wordt ook door IGC met zoveel woorden erkend in de memorie van grieven nr. 18, 41 en 42. Vast staat eveneens (zie onder meer inl. dagvaarding nr. 9 en 10) dat: (i) IGC zaken als voorraad of op bestelling van klanten van IGC Spanje leverde aan IGC Spanje, (ii) de hiermee corresponderende bedragen werden gefactureerd aan IGC Spanje en (iii) de betalingen (die pas na verkoop aan “eindklanten” dienden te worden verricht, zie inl. dagvaarding nr. 9) werden gedaan door IGC Spanje. Gesteld noch gebleken is dat in de periode vóór de situatie van de verdwenen voorraad [geintimeerden c.s.] ooit één van deze facturen heeft betaald of dat dit de afspraak was. Gelet op al het voorgaande, dient de verplichting uit artikel 3.7. te worden gekwalificeerd als een borgtocht (verdere uitleg van de bepaling volgt in 6.9.). Van een eigen, zelfstandige verplichting van [geintimeerden c.s.] zoals door IGC bedoeld, is gelet op het bovenstaande geen sprake.