Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 maart 2019;
- de akte na tussenarrest van de zijde van [appellant] met producties;
- de antwoordakte na tussenarrest van de zijde van [geïntimeerde] met productie.
6.De verdere beoordeling
rechtbankheeft geoordeeld (rov. 4.11.) dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij thans in staat zou zijn om [geïntimeerde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. En voorts:
memorie van grievendat hij belang heeft bij het behouden van de woning en dat de huidige aflossingsvrije hypotheek (thans: € 285.000,--) bij de bank in stand blijft.
akte na tussenarreststelt [appellant] dat op dit moment het ontslag van [geïntimeerde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid nog niet is gerealiseerd. Hij heeft hiervoor nog extra tijd nodig. Hij heeft zich hier al volledig voor ingezet maar de procedure bij de tussenpersoon en de bank vergen (te) veel tijd (prod. 18 en 19). Bovendien heeft hij, vanwege de trage procedure, bij de SNS Bank en 360 Hypotheken een aanvraag gedaan voor het vestigen van een nieuwe hypotheek (prod. 20 en 21). Die aanvragen lopen nog. Ook loopt er een financieringsaanvraag via Mogelijk Vastgoedfinancieringen (prod. 22 bij akte). Financiering via Mogelijk Vastgoedfinancieringen is een optie mits de leensom wordt verlaagd van € 285.000,-- naar € 275.000,--. [appellant] kan dit verschil uit eigen middelen dan wel met hulp van derden dragen teneinde de hypotheek bij [hypotheek] volledig af te lossen. Ten slotte heeft hij de notaris om advies gevraagd over de voor hem snelste weg om te komen tot een ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] (prod. 24).
memorie van antwoorddat [appellant] op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat hij de benodigde herfinanciering kan verwezenlijken. Met zijn AOW-uitkering kan hij nog geen financiering van € 50.000,-- realiseren. Van een eventuele bereidheid van derden is niets gebleken.
antwoordakteoverlegt zij een brief van de bank d.d. 18 april 2019 (prod. 21) aan haar waarin de bank mededeelt dat zij overgaat tot opeising van de hypothecaire geldlening en het geven van opdracht aan BKR tot registratie van deze opeising. Hieruit leidt [geïntimeerde] af dat [appellant] geen herfinancieringsmogelijkheden van betekenis heeft. Uit deze brief blijkt ook het nadeel dat zij lijdt door haar hoofdelijke aansprakelijkheid.
hofstelt bij de beoordeling van deze grieven het volgende voorop.
u(onderstreping hof) per heden aan [hypotheek] Hypotheken bent verschuldigd bedraagt:
3 dagenna dagtekening van dit schrijven voldoet, zal [hypotheek] Hypotheken overgaan tot verkoop van uw woning. (…)
hofstelt vast dat [appellant] geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit de actuele hoogte van zijn schulden (ten gevolge van beslagleggingen of anderszins) blijkt. Het hof kan aldus niet vaststellen of en in hoeverre de grief feitelijke grondslag mist.
hofstelt vast dat de benoeming van de makelaar (die zich overigens inmiddels heeft teruggetrokken) en de daarmee verbonden veroordeling van [appellant] om mee te werken aan de verkoop van de woning onder leiding van de makelaar, in overeenstemming is met de daaraan naar de eisen van redelijkheid en billijkheid te stellen eisen. Geen sprake is van een zogenaamde carte blanche. De opdracht aan de makelaar in het bestreden vonnis is helder omschreven en de makelaar wordt geacht ter zake deskundig en onafhankelijk te zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat een NVM-makelaar, ook opvolgend makelaar [opvolgend makelaar] is lid van de NVM, gediplomeerd en gecertificeerd is. In hoeverre in dat opzicht sprake kan zijn van een complot gericht tegen [appellant] is voor het hof onbegrijpelijk.
hofis van oordeel dat ook deze grief faalt. Inmiddels is makelaar [opvolgend makelaar] belast met de verkoop van de woning. Het hof gaat er van uit dat [opvolgend makelaar] in staat is een reële marktconforme prijs voor de woning te bepalen. Het verwijst hiervoor naar zijn rechtsoverwegingen in 6.9.3. hiervóór.