Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 25 februari 2019 namens [geïntimeerde] toegezonden akte met producties 47 t/m 51, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.
6.De beoordeling
erkent (hoofdelijk) schuldig aan de schuldeiser[hof: [vast goed] ]
, die deze schuldbekentenis aanneemt, een bedrag ter grootte zoals blijkt uit de administratie van [vast goed] Vast Goed B.V. wegens overeenkomst(en) van geldlening, welke tussen partijen zijn en eventueel nog worden gesloten (…).’
‘voorlopige bruto alimentatie januari 2015 -/- verzekering, ozb, hypo.uitgaande verhuisdata 14-01-15’
€ 990.000,-
- een verklaring voor recht dat het door [appellante] gelegde derdenbeslag (zie hierboven 6.1 onder l) onrechtmatig is jegens [geïntimeerde] ;
- het beslag op te heffen;
- [appellante] te veroordelen om binnen 48 uur na het te wijzen vonnis van die opheffing schriftelijk mededeling te doen aan de derde beslagene met afschrift aan [geïntimeerde] , op straffe van een dwangsom;
- [appellante] te veroordelen tot vergoeding van de schade die [geïntimeerde] door het beslag lijdt en zal lijden, op te maken bij staat,
- dat [vast goed] vanaf 1999 een rekening-courantvordering op [geïntimeerde] en [ex-echtgenoot] heeft die (mede) betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente;
- dat [appellante] vanaf begin 2008 (toen zij rechtsopvolger werd van [vast goed] ) een rekening-courantvordering op [geïntimeerde] en [ex-echtgenoot] heeft, die (mede) betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente;
- de boekingen die vanaf 1999 tot begin 2008 (toen [appellante] rechtsopvolger van [vast goed] werd) hebben plaatsgevonden op de rekening-courant met [vast goed] ;
- de boekingen die vanaf begin 2008 tot in ieder geval eind oktober 2010 hebben plaatsgevonden op de rekening-courant met [appellante] .
‘Betreft achterstallige rente hypotheek woning [adres] te [plaats] ’. Hier wreekt zich echter dat [appellante] heeft nagelaten om stukken uit de administraties van [vast goed] en [appellante] over te leggen waaruit blijkt van achterstallige rentebetalingen over de periode vanaf 1999 tot (in ieder geval) eind oktober 2010. Gelet hierop en op het feit dat [geïntimeerde] vanaf eind oktober 2010 de ‘lopende rente’ aan [appellante] heeft betaald, mist de in de jaarrekening over 2013 genoemde vordering wegens achterstallige rente een behoorlijke administratieve onderbouwing. Het enkele feit dat [appellante] in haar jaarrekening over 2013 voormelde vordering heeft opgenomen is dan ook onvoldoende om te kunnen aannemen dat [appellante] een vordering op [geïntimeerde] (en [ex-echtgenoot] ) heeft ter zake niet betaalde hypotheekrente. Een en ander geldt ook voor het door [appellante] overgelegde ‘Controleverslag boekingen’ en de grootboekkaart ‘Rente [ex-echtgenoot] / [geïntimeerde] ’, beide over het boekjaar 2013, waarin een post ‘Achterstallige hypotheekrente 2012’ van € 803.338,- staat vermeld en een post ‘Achterstallige hypotheekrente 2013’ van € 22.092,- (akte vermindering van eis, productie 9, bijlage 14). Gezien het voorgaande missen ook de door [appellante] overgelegde grootboekkaarten over 2014 en 2015 (bijlagen 15 en 16 bij genoemde productie), waarin [appellante] de rente heeft geboekt die [geïntimeerde] en [ex-echtgenoot] over 2014 en 2015 verschuldigd zijn geworden over de volgens [appellante] achterstallige rente, een voldoende administratieve onderbouwing. Ook die grootboekkaarten zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat [appellante] een rentevordering op [geïntimeerde] (en [ex-echtgenoot] ) heeft.