Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2019:1818

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
14 mei 2019
Zaaknummer
200.223.484_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis bij geschil over gebreken aan kozijnen en puien in bouwzaak

In deze civiele bouwzaak stond centraal of de door de geïntimeerde geleverde werkzaamheden en materialen zodanige gebreken vertoonden dat ontbinding van de koop- en aannemingsovereenkomst gerechtvaardigd was. De werkzaamheden betroffen onder meer het demonteren en monteren van ramen, deuren en schuifpuien in de woning van appellant.

De kantonrechter stelde gebreken vast in het werk van geïntimeerde maar wees ontbinding af vanwege de geringe tekortkomingen. Appellant vorderde in hoger beroep ontbinding en schadevergoeding en betwistte de vaststellingen van de door de kantonrechter benoemde deskundige Feron met een eigen partijdeskundigenrapport.

Het hof overwoog dat het deskundigenrapport van Feron zorgvuldig tot stand was gekomen met betrokkenheid van partijen en dat het partijdeskundigenrapport van appellant onvoldoende overtuigde, mede omdat geen reactie van geïntimeerde was gevraagd. Het hof volgde de conclusies van Feron en verwierp de grieven van appellant, waaronder de stelling dat vijfpuntsluitingen waren overeengekomen.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad. De ontbinding van de overeenkomst werd niet toegewezen omdat de tekortkomingen niet ernstig genoeg waren.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de grieven van appellant af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer gerechtshof 200.223.484/01
(zaaknummer rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, 2788385 CV EXPL 14-1608)
arrest van 14 mei 2019
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. A.J.E. Verschuren,
tegen:
INDUSTRIËLE HANDELSONDERNEMING [geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.F.E. Kikken.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 mei 2014, 13 augustus 2014, 4 november 2015, 23 december 2015 en 5 april 2017 die de kantonrechter (rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht) heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep,
- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis (met producties),
- de memorie van antwoord (met producties).
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.
Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of de door [geïntimeerde] geleverde zaken en uitgevoerde werkzaamheden zodanige gebreken vertonen, dat deze de ontbinding van de overeenkomst van koop- en aanneming van 6 juli 2013 (hierna: de overeenkomst) en/of de toewijzing van schadevergoeding rechtvaardigen. De overeenkomst heeft betrekking op door [geïntimeerde] in de woning van [appellant] te verrichten werkzaamheden, die samengevat bestaan uit het demonteren en monteren van ramen, deuren en (schuif)puien – waarvan één elektrisch – het beglazen daarvan, alsmede het plaatsen van horren/rolluiken, tegen betaling van een bedrag van € 30.000,00 (exclusief btw, lichtstraat en inclusief montage en glas). [appellant] heeft geklaagd over de kwaliteit van het door [geïntimeerde] uitgevoerde werk. [geïntimeerde] heeft het werk niet kunnen voltooien.
3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in conventie) – samengevat – gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van de resterende aanneemsom groot € 7.956,04, vermeerderd met 5%. [appellant] heeft primair de verschuldigdheid en omvang van het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag betwist en heeft zich subsidiair beroepen op opschorting en verrekening.
3.3.
[appellant] heeft in eerste aanleg (in reconventie) gevorderd primair de overeenkomst tussen partijen te ontbinden. [appellant] stelt daartoe dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de werkzaamheden niet tijdig en niet deugdelijk uit te voeren. [appellant] vordert in dat verband restitutie van het reeds betaalde bedrag van
€ 28.910,00 (inclusief btw) alsmede een schadevergoeding van minimaal € 4.027,32.
3.4.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 14 mei 2014 een descente met comparitie gelast en aangekondigd een deskundige te willen benoemen. Bij tussenvonnis van 13 augustus 2014 is ing. F.M.J. Feron (hierna: Feron) tot deskundige benoemd om ter comparitie/descente aanwezig te zijn en de ter plekke gestelde vragen te beantwoorden. Na de comparitie/descente zijn partijen bij tussenvonnis van 4 november 2015 in de gelegenheid gesteld een akte te nemen, waarna bij tussenvonnis van 23 december 2015 de deskundige is opgedragen een (schriftelijk) deskundigenbericht uit te brengen ter beantwoording van de in dat vonnis geformuleerde vragen. Vervolgens heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 5 april 2017 – samengevat – het rapport van Feron gevolgd, gebreken in de prestatie van [geïntimeerde] geconstateerd maar de ontbinding wegens de te geringe tekortkomingen afgewezen. De kantonrechter heeft wel aan [appellant] een bedrag toegekend aan vervangende schadevergoeding wegens de vastgestelde gebreken. De vordering van [geïntimeerde] in conventie is toegewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] uit de reconventie door verrekening is voldaan en heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 2.261,04, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.
3.5.
Tegen het eindvonnis van de kantonrechter is [appellant] in hoger beroep gekomen met in totaal vier grieven. Alle grieven leunen op een door [appellant] in hoger beroep eenzijdig gevraagd (partij)rapport van ing. [partijdeskundige aan de zijde van appellant] (productie 1 bij memorie van grieven). Met dat rapport valt [appellant] met zijn eerste twee grieven de bevindingen van de door de kantonrechter benoemde deskundige Feron aan met betrekking tot de kozijnen (
grief 1) en de puien (
grief 2). Deze twee grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.6.
Voorop staat dat het rapport van [partijdeskundige aan de zijde van appellant] een partijrapport betreft van de zijde van [appellant] dat voor het eerst in hoger beroep in het geding is gebracht. Indien een op verzoek van een partij uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (artikel 152 lid 2 Rv Pro). Het hof overweegt daarover als volgt.
3.7.
Voorop staat dat op 22 februari 2016 in de woning van [appellant] een opname heeft plaatsgevonden door de door de kantonrechter benoemde deskundige, Feron, waarbij alle partijen aanwezig waren. Feron heeft aan de hand van deze opname een concept-deskundigenbericht opgesteld en partijen in de gelegenheid gesteld op de inhoud daarvan te reageren. [appellant] en [geïntimeerde] hebben bij brief van 31 oktober 2016 respectievelijk 2 november 2016 gereageerd op de inhoud van het concept-deskundigenbericht. Feron heeft op 9 november 2016 het definitieve deskundigenbericht uitgebracht. De reacties van partijen zijn, evenals een aantal door [appellant] aan Feron toegestuurde aanvullende documenten, aan het definitieve deskundigenbericht gehecht. Partijen zijn vervolgens door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het deskundigenbericht. [appellant] is bij akte uitlating na deskundigenbericht van 21 december 2016 nader op een aantal punten ingegaan. [geïntimeerde] heeft bij e-mail van 22 december 2016 laten weten geen behoefte te hebben aan een conclusie na deskundigenbericht. [geïntimeerde] heeft zich geconformeerd aan het deskundigenbericht met verwijzing naar de door haar gemaakte opmerkingen die zijn gehecht aan het deskundigenbericht. Deze hele gang van zaken betekent dat partijen ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om op het deskundigenbericht van Feron te reageren.
3.8.
In het licht van deze zorgvuldige totstandkoming van het rapport van Feron alsmede gelet op de duidelijke conclusies en de onderbouwing in het rapport van Feron, zal ook het hof de conclusies van Feron overnemen en tot de hare maken. Het hof zal dan ook aan het partijrapport van [partijdeskundige aan de zijde van appellant] voorbij gaan. Te meer daar uit dat rapport niet blijkt dat er om een reactie van [geïntimeerde] is gevraagd, hetgeen wel voor de hand had gelegen nu het rapport mede op informatie van [appellant] is gebaseerd. Het rapport van [partijdeskundige aan de zijde van appellant] en de toelichting op de eerste twee grieven vormt voor het hof geen aanleiding om aan de zienswijze van Feron te twijfelen. Dit betekent dat
grieven 1 en 2reeds daarom falen.
3.9.
Met
grief 3komt [appellant] op tegen de afwijzing door de kantonrechter ten aanzien van een door [appellant] gestelde afspraak met betrekking tot vijfpuntsluitingen van de puien. In de offerte (zie productie 1 bij conclusie van antwoord) staat: “
Standaard uitvoering van de ramen met VERDEKT liggend, inbraak-werend beslag, conform de laatste anti-inbraak normen en bouwbesluit eisen. Deuren met 5 puntsluiting met HAKEN en PENNEN.!”. Ook staat in de offerte dat geleverd wordt een:
“Hefschuifraam, CP 130 LS, 1910 x 2600.”waarmee de schuifpui wordt aangeduid.
Feron schrijft in zijn rapport dan ook terecht dat in de offerte de schuifdeuren vermeld staan als
“hefschuifRAAM”(zie pagina 13 van zijn rapport onder het eerste omlijnde kader). In die zin belooft de offerte dus niets ten aanzien van vijfpuntsluitingen voor de schuifpuien. Deze conclusie is door de rechtbank overgenomen in rechtsoverweging 2.5. en wordt door het hof onderschreven. Voor zover [appellant] betoogt dat afgesproken is dat alle deuren en dus ook de schuifdeuren/puien van vijfpuntsluitingen zouden worden voorzien blijkt dit derhalve niet uit de offerte. Nu gesteld noch is gebleken wanneer dit dan wel zou zijn afgesproken kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat [geïntimeerde] op dit punt tekort zou zijn geschoten in de overeenkomst. Ook aan de hand van de Haviltex-maatstaf komt het hof niet tot een andere conclusie (zie punt 6 memorie van grieven). Immers, [appellant] betoogt dat nadrukkelijk tussen partijen is gesproken over inbraakmaatregelen en deze zijn ten aanzien van de schuifpuien ook getroffen nu deze voldoen (blijkens de offerte) aan de laatste anti-inbraak normen, ze hebben alleen geen vijfpuntsluitingen. Verklaringen of gedragingen van [geïntimeerde] op grond waarvan [appellant] mocht menen dat vijfpuntsluitingen zijn overeengekomen zijn overigens niet gesteld. De conclusie is dan ook dat
grief 3faalt.
3.10.
Met
grief 4betoogt [appellant] dat de gebreken (die blijken uit het rapport van [partijdeskundige aan de zijde van appellant] ) ontbinding van de overeenkomst met [geïntimeerde] rechtvaardigen. Nu ook het hof het rapport en de bevindingen van Feron overneemt en tot de hare maakt, faalt ook deze grief. De door Feron vastgestelde gebreken rechtvaardigen niet de ontbinding van de overeenkomst. Het rapport van [partijdeskundige aan de zijde van appellant] vormt voor het hof geen aanleiding tot een ander oordeel.
Grief 4faalt eveneens.
3.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
3.12.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 1.952,00
- salaris advocaat € 759,00 (1 punt x tarief € 759,00).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 april 2017;
4.2.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.952,00 voor verschotten en op € 759,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
4.3.
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.
de griffier de rolraadsheer