Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H-formulier van 22 maart 2019 toegezonden akte met productie A4, die
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak staat centraal of de geldleningsovereenkomsten die in 2012 en 2013 zijn gesloten door de toenmalige echtgenoot van geïntimeerde zijn aangegaan in eigen naam of namens de vennootschap onder firma (vof). De leningen betroffen financiering van bedrijfsactiviteiten van de vof, waaronder onderhoud en aankoop van schepen voor vaarvakanties.
De rechtbank wees de vorderingen af omdat zij oordeelde dat geïntimeerde niet aansprakelijk was, omdat de vof geen partij was bij de leningen. Het hof stelt dat op grond van het handelsregister en de wet iedere vennoot bevoegd is namens de vof te handelen, tenzij anders blijkt. Uit de stukken, waaronder een schuldbekentenis en een verklaring van een goede vriendin van de erflaatster, leidt het hof af dat de leningen vermoedelijk namens de vof zijn aangegaan.
Het hof wijst erop dat de bewijslast bij appellant rust en dat het tegenbewijs door geïntimeerde wordt toegelaten. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering, waaronder getuigenverhoor onder leiding van een raadsheer-commissaris. Het arrest bepaalt de procedurele stappen voor het vervolgproces en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: Het hof acht voorshands bewezen dat de echtgenoot namens de vof handelde bij de leningen en laat tegenbewijs toe, waarna de zaak wordt aangehouden voor bewijslevering.