Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7163264 CV EXPL 18-5222)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 oktober 2018;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij partij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd.
3.De beoordeling
“In het beding zelf dient gemotiveerd te worden welke bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom die een concurrentiebeding vereisen. Dit noopt de werkgever tot een concrete afweging en voorkomt daarmee een lichtvaardig gebruik van het beding.”
De motivering van het concurrentiebeding had specifieker toegesneden kunnen worden op de werkzaamheden die [geïntimeerde] feitelijk vervulde. Zo wordt onder 21 in de pleitnotitie van [appellante] vermeld dat [geïntimeerde] alle lease-aanvragen behandelde, dat hij de digitale prijslijsten van de afdeling verkoop maakte en dat hij betrokken was bij de rapportages over verkoopkansen. Onder 26 in de memorie van grieven wordt vermeld dat [geïntimeerde] de sleutelfiguur op de binnendienst was en dat hij toegang had tot alle informatiekanalen en vertrouwelijke documenten. Met de omschrijving van deze werkzaamheden in het non-concurrentiebeding had [appellante] de noodzaak van het non-concurrentiebeding kunnen toespitsen.