Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
€ 739,08
€ 731,77
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen hadden een affectieve relatie die in 2015 eindigde en zijn ouders van een minderjarige geboren in 2014. De rechtbank Limburg had eerder de kinderalimentatie vastgesteld, maar de vrouw ging in hoger beroep vanwege de hoogte van de alimentatie en de draagkrachtberekening van de man.
In hoger beroep betwistte de man de door de vrouw gestelde hogere inkomsten en stelde hij een lagere behoefte van het kind vast. Het hof onderzocht de netto besteedbare inkomens van beide partijen, waarbij het rekening hield met huurinkomsten van de man en een zorgkorting van 35%. De vrouw ontving vanaf 2017 kindgebonden budget, wat in de draagkrachtberekening werd meegenomen.
Het hof concludeerde dat het netto besteedbaar inkomen van de man hoger was dan de rechtbank had aangenomen, mede door huurinkomsten minus redelijke verhuurkosten. De draagkracht van de vrouw werd berekend op basis van haar loon en kindgebonden budget. De behoefte van het kind werd vastgesteld op het maximale tabelbedrag, aangezien bijzondere omstandigheden voor een hogere behoefte niet waren aangetoond.
Op basis van deze gegevens stelde het hof de kinderalimentatie vast op € 398,71 per maand van 1 april 2016 tot 1 januari 2017, € 384,25 van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018, en hogere bedragen voor latere jaren. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie aan de vrouw van € 398,71 per maand vanaf 1 april 2016, met latere indexeringen.