De zaak betreft een hoger beroep van DHL tegen vonnissen van de kantonrechter die oordeelden dat het ontslag van de werknemer kennelijk onredelijk was wegens een valse of voorgewende reden. De werknemer was sinds 2008 in dienst als chauffeur en werd in 2015 ontslagen op grond van verwijtbaar handelen. Het UWV verleende de ontslagvergunning na een tweede aanvraag.
De kantonrechter had de bewijsopdracht te eng geformuleerd en zich toegespitst op een incident bij een Albert Heijn-filiaal waarbij de werknemer zou hebben gescholden en krasloten niet had afgeleverd. Het hof oordeelt dat het ontslag gebaseerd is op een opeenstapeling van verwijtbare gedragingen, waaronder eerdere waarschuwingen en disciplinaire maatregelen, en niet uitsluitend op het AH-incident.
De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat de reden vals of voorgewend was en omdat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig waren. Het hof oordeelt dat de reden niet vals of voorgewend is, omdat de ontslaggrond gebaseerd is op feiten en klachten van derden en DHL zorgvuldig heeft gehandeld. Het gevolgencriterium wordt niet overschreden gezien de belangen van DHL en de omstandigheden van de werknemer.
Het hof vernietigt de eerdere vonnissen en wijst de vorderingen van de werknemer af. Tevens veroordeelt het hof de werknemer tot terugbetaling van reeds betaalde schadevergoeding en in de proceskosten van beide instanties.