In deze zaak staat centraal of het ontslag op staande voet van [verweerder] door [de VOF] gerechtvaardigd was vanwege het verrichten van nevenwerkzaamheden tijdens arbeidsongeschiktheid. [verweerder] was sinds september 2015 ziek gemeld en werd in april 2017 op staande voet ontslagen wegens het verrichten van werkzaamheden voor een ander bedrijf, wat volgens [de VOF] het re-integratietraject zou hebben gefrustreerd en het verbod op nevenwerkzaamheden zou hebben geschonden.
Het hof stelde vast dat [verweerder] inderdaad werkzaamheden verrichtte, maar deze waren niet concurrerend en werden niet betaald; het betrof een bezigheidstherapie. Er was geen bewijs dat het re-integratietraject werd gefrustreerd of dat [verweerder] de bedrijfsarts doelbewust onjuist had geïnformeerd. Het hof oordeelde dat het ontslag op staande voet een te zwaar middel was en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren geweest.
Verder werd geoordeeld dat [de VOF] slechts gehouden was 70% van het loon door te betalen tijdens ziekte, niet 100% zoals eerder was toegekend. De transitievergoeding blijft onverminderd van kracht omdat het handelen van [verweerder] wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar was. Het hof bekrachtigde de overige beslissingen van de kantonrechter en veroordeelde [de VOF] in de proceskosten van [verweerder].