Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,
[appellante 3] ,
[appellant 4] ,
[appellant 5] ,
[appellante 6] ,
[appellant 7] ,
[appellante 8] ,
[appellante 9] ,
[appellant 10] ,
[appellante 11] ,
[appellant 12] ,
[appellant 13] ,
[appellante 14] ,
[appellant 15] ,
,
15.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 16 februari 2016;
- de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 2 december 2016, rolnummer 16/00859, ECLI:NL:HR:2016:2729 (hierna: de prejudiciële beslissing);
- de memorie na tussenarrest van [appellanten c.s.] van 7 februari 2017 ;
- de memorie na tussenarrest van Van Logtestijn van 7 februari 2017.
16.De verdere beoordeling
Indien: (i) een aannemer vóór de datum van zijn faillissement een deel van de op grond van een koop-/aannemingsovereenkomst met een consument overeengekomen (meerwerk) werkzaamheden heeft verricht, (ii) de consument hiervoor slechts gedeeltelijk heeft betaald, (iii) vervolgens de curator, nadat hem overeenkomstig artikel 37 Fw Pro door de consument een redelijke termijn daartoe is gesteld, de overeenkomst niet gestand doet en (iv) de consument niet voor ontbinding opteert, terwijl (v) op basis van de koop-/aannemingsovereenkomst de betalingstermijn van die werkzaamheden pas verschuldigd is na het geheel voltooien van die werkzaamheden,
“haar vordering op de Ondernemer voor dat gedeelte dat Verkrijger in zijn/haar relatie met de curator in het faillissement van de Ondernemer kan verrekenen, over[ge]dragen aan Verkrijger (…)”. Deze retrocessie heeft plaatsgevonden
“onder de voorwaarde dat het door Woningborg/Verkrijger jegens de curator in het faillissement van de Ondernemer reeds gedane beroep op verrekening wordt gefrustreerd door de eerdere cessie van Verkrijger aan Woningborg.”