Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3175019 CV EXPL 14-7097)
2.Het geding in hoger beroep
- de tegen [bewindvoerder] uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep van 20 oktober 2015;
- het tegen [bewindvoerder] verleende verstek;
- het verzoek van [appellante] op de rolzitting van 29 december 2015 tot schorsing van het geding vanwege het overlijden van vader [vader] op [datum overlijden vader] 2015;
- de schorsing van het geding;
- het royement van het geding op 5 juli 2016 verzoek van [appellante] ;
- het exploot van 15 mei 2017, waarin [appellante] [geïntimeerde] heeft opgeroepen om op 6 juni 2017 vertegenwoordigd door een advocaat te verschijnen in het geding teneinde voort te procederen;
- het verzoek van [appellante] tot hervatting van het geding op de rolzitting van 6 juni 2017;
- de door [appellante] genomen memorie van grieven van 6 juni 2017 met producties;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord van 5 september 2017;
- de door [appellante] genomen akte van 7 november 2017 met producties;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte van 5 december 2017.
3.De beoordeling
- [appellante] en [geïntimeerde] zijn de dochters van vader [vader] . De echtgenote van vader [vader] , zijnde de moeder van [appellante] en [geïntimeerde] , is in de zomer van 2009 overleden (volgens productie 7 bij de memorie van grieven op [datum overlijden moeder] 2009). Zij heeft in 2002 een hersenbloeding gehad en heeft sindsdien de laatste jaren van haar leven in een verpleegkliniek verbleven (blz.1 van de door [bewindvoerder] in eerste aanleg overgelegde productie 12).
- Vader [vader] heeft vanaf oktober 2007 in bejaardentehuis [bejaardentehuis] in [plaats] verbleven.
- Op 19 mei 2010 zijn twee pinpassen aangemaakt, behorende bij de SNS Plus betaalrekening met nummer [nummer] van vader [vader] . Één van die passen was bestemd voor vader [vader] en één van die passen was bestemd voor [appellante] .
- Vader [vader] heeft [appellante] in mei 2010 gemachtigd om over zijn bankrekening te beschikken.
- Vervolgens heeft vader [vader] vanaf januari 2011 in revalidatiekliniek [revalidatiekliniek] te [plaats] verbleven.
- Daarop aansluitend heeft vader [vader] vanaf 28 april 2011 tot zijn overlijden gewoond in verpleegtehuis [verpleegtehuis] in [plaats] .
- Bij beschikking van 22 augustus 2011 heeft de kantonrechter van de toenmalige rechtbank Maastricht de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan vader [vader] onder bewind gesteld. Bij deze beschikking is [bewindvoerder] tot bewindvoerder aangesteld.
- [appellante] heeft vanaf mei 2010 tot het moment van instellen van het bewind de financiële belangen van vader [vader] behartigd.
- [appellante] heeft in die periode ten laste van de betaalrekening van vader [vader] overschrijvingen gedaan, door middel van pintransacties betalingen verricht in winkels en bij geldautomaten contant geld opgenomen.
- [bewindvoerder] heeft in de persoon van [medewerker] op 17 januari 2013 namens vader [vader] aangifte tegen [appellante] gedaan van verduistering van gelden van de bankrekening van vader [vader] .
- Vader [vader] is op [datum overlijden vader] 2015, dus nadat de dagvaarding in hoger beroep was uitgebracht, op 83-jarige leeftijd overleden. [appellante] en [geïntimeerde] zijn de enige erfgenamen van vader [vader] .
- een hoofdsom van € 21.458,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 februari 2013;
- € 992,-- ter zake buitengerechtelijke kosten;
- een hoofdsom van € 14.058,55, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 februari 2013;
- € 992,-- ter zake buitengerechtelijke kosten;
- a. € 7.610,-- ter zake negen kasopnames van € 1.000,-- (rov. 4.3 van het tussenvonnis);
- b. € 4.409,48 ter zake acht kasopnames van in totaal € 7.800,-- (rov. 4.4 van het tussenvonnis);
- c. € 445,75 ter zake overboekingen ter zake loterijen verminderd met het gewonnen prijzengeld (rov. 4.7 van het tussenvonnis);
- d. € 625,-- ter zake overboekingen van zakgeld (rov. 4.8 van het tussenvonnis);
- e. € 195,79 ter zake de overboeking ten behoeve van een scooterverzekering (rov. 4.8 van het tussenvonnis);
- f. € 207,-- ter zake een overboeking aan notaris [notaris] (rov. 4.8 van het tussenvonnis);
- g. € 297,-- ter zake overboekingen aan [holding] Holding;
- h. € 168,95 ter zake een pintransactie bij C1000;
- i. € 99,58 ter zake een pintransactie bij Aldi [plaats] .
- [appellante] is in de periode vanaf 19 mei 2010, waarin zij beschikte over een pinpas van de rekening van vader [vader] en waarin zij als gemachtigde over die rekening kon beschikken, opgetreden als zaakwaarnemer van vader [vader] .
- [appellante] is als zaakwaarnemer in beginsel verplicht om rekening en verantwoording af te leggen. In een rechtsverhouding zoals de onderhavige vader-dochter-verhouding is [appellante] slechts tot rekening en verantwoording verplicht voor zover de uitgaven niet binnen het normale uitgavenpatroon van vader [vader] passen.
- Als bepaalde uitgaven niet binnen het normale uitgavenpatroon van vader [vader] passen en [appellante] geen voldoende rekening en verantwoording kan afleggen ten aanzien van die uitgaven, staat vast dat die uitgaven niet ten goede zijn gekomen aan vader [vader] . In dat geval is [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen als zaakwaarnemer en daarom verplicht tot vergoeding van de daardoor geleden schade.
- het indicatiebesluit van het CIZ van 10 maart 2011, waarin op bladzijde 2 onder meer staat dat vader [vader] verzorging nodig heeft met extra zorg vanwege dementie;
- de brief van het CIZ van 8 april 2011, waarin wordt aangekondigd dat een onderzoek door het CIZ naar de noodzaak van een voortgezet verblijf van vader [vader] in een psychogeriatrisch ziekenhuis moet plaatsvinden op basis van artikel 60 van Pro de Wet Bopz, welk artikel van toepassing is op cliënten die zelf niet meer kunnen aangeven of ze het eens zijn met de opname;
- het indicatiebesluit van het CIZ van 20 april 2011, waarin onder meer staat dat het noodzakelijk is dat vader [vader] in een Bopz-instelling wordt opgenomen omdat hij buiten de instelling niet voor zichzelf kan zorgen;
- [instelling] Zorgleefplannen, waaruit blijkt van de dementie van vader [vader] .
- Vader [vader] heeft vanaf januari 2011 in een revalidatiekliniek en vanaf 28 april 2011 in een verpleegtehuis verbleven, alwaar hij volledige kost en inwoning kreeg. De door [appellante] in haar akte sub 12 opgesomde “structurele wekelijkse kosten” ten behoeve van vader (onder meer € 20,-- aan drank, € 24,-- aan rookwaren, € 76,-- aan andere boodschappen, € 12,50 voor inkopen uit het “winkeltje” en € 12,50 aan “zakgeld”) komen in het licht daarvan onredelijk hoog voor. Dat geldt te meer nu [appellante] zelf in de conclusie van antwoord onder 5.3 ten aanzien van de eerste maanden van 2010, waarin vader [vader] in het bejaardentehuis een maaltijd per dag kreeg aangeboden, een bedrag aan boodschappen heeft genoemd van € 200,-- per maand (dus slechts een kleine € 50,-- per week).
- [appellante] heeft door aanzienlijke bedragen contant op te nemen de wijze waarop zij die bedragen heeft besteed oncontroleerbaar gemaakt. Als [appellante] die contante geldopnamen grotendeels achterwege had gelaten en de uitgaven die zij voor vader [vader] deed hoofdzakelijk met de pinpas van de rekening van vader [vader] had afgerekend, zou een en ander beter controleerbaar zijn geweest. Een steekhoudend argument om haar eigen boodschappen wel met haar pinpas te betalen en de boodschappen van vader niet met de pinpas van vaders rekening te betalen maar contant af te rekenen heeft [appellante] niet gegeven.
[appellante] contante opnames gedaan ten laste van de rekening van vader [vader] tot € 17.800.- in de periode van 19 mei 2010 tot en met 27 juli 2011. De kantonrechter is van oordeel dat dit bedrag in ieder geval deels niet binnen het normale uitgavenpatroon van vader [vader] lijken te passen, gelet op diens leeftijd, het feit dat hij alleen leefde en het feit dat hij in voornoemde periode een tijd in een setting leefde waarin een deel van de maaltijden voor hem werden verzorgd. Aldus oordeelt de rechter dat [appellante] rekening en verantwoording verschuldigd is ten aanzien van de contante opnames.’
4.De uitspraak
- A. dat het eind februari 2011 de wil van vader [vader] was dat [dochter van appellante] het bedrag van haar scooterverzekering van hem vergoed zou krijgen (rov. 3.10.4);
- B. dat het begin februari 2011 de wil van vader [vader] was dat [dochter van appellante] wekelijks van hem een zakgeld van € 25,-- zou gaan ontvangen (rov. 3.10.7);
- C. dat zij in de in geding zijnde periode van 11 mei 2010 tot en met 27 juli 2011 ten behoeve van vader [vader] voor gemiddeld € 20,-- tot € 25,-- per week heeft besteed aan door hem te verbruiken telefoonkaarten (rov. 3.11.5);