Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van anticipatie van 3 maart 2017;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte van [appellant] met twee producties;
- de antwoordakte van de gemeente.
3.De beoordeling
‘voor ambulante handel in levensmiddelen’.
- het niet juist beantwoorden van de eerste aanvraag van de heer [appellant] van 6 november 2009 gegrond te verklaren;
- het daarop volgende handelen van de afdeling Gebouwde Omgeving om de juiste planologische situatie aan de heer [appellant] uit te leggen ongegrond te verklaren; en
- het handelen van de afdeling Veiligheid & Handhaving inzake het innemen van een standplaats ongegrond te verklaren’
- een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld heeft en op die grond jegens [appellant] aansprakelijk is;
- veroordeling van de gemeente tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat;
“Op 10 november 2009 hebben wij uw brief ontvangen waarin u toestemming vraagt voor het uitoefenen van ambulante handel in levensmiddelen (onder andere aardappelen, groenten en fruit)in het pand(…)”. Dat de ambtenaar van de gemeente het verzoek van [appellant] in deze zin heeft opgevat, is naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en niet onlogisch. Het hof deelt op dit punt het oordeel van de klachtencommissie zoals hiervoor weergegeven in het eerste deel van rov. 3.2.12 sub a van dit arrest. De wijze waarop [appellant] zijn vraag heeft ingekleed, heeft bijgedragen aan het feit dat de ambtenaar de vraag in die zin heeft opgevat. De enkele omstandigheid dat [appellant] in zijn brief van 6 november 2009 repte van “Ambulante handel” brengt het hof niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft immers in rov. 4.4 van het vonnis overwogen dat zowel de behandeld ambtenaar als [appellant] zelf (mede gezien zijn standpunt tijdens de comparitie van partijen) onder ambulante handel mede hebben verstaan het plaatsen van een of meer kramen in de winkelruimte van het pand om van daaruit handel te (laten) drijven. [appellant] heeft dat in hoger beroep niet bestreden.