Appellante verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen.
De rechtbank motiveerde dit onder meer met het feit dat appellante een substantiële fraudeschuld had laten ontstaan, langdurig naar Irak was vertrokken zonder haar financiële verplichtingen na te komen, en onvoldoende inspanningen had verricht om haar schulden af te lossen of een baan te vinden. Ook beheerst zij de Nederlandse taal onvoldoende, wat haar kansen op de arbeidsmarkt beperkt.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar verblijf in Irak was ingegeven door mantelzorg en oorlogsomstandigheden, dat zij de schuld aan WeenerXL betwist, en dat zij zich inspant voor werk en taalverbetering. Het hof oordeelde echter dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was geweest en dat zij haar verplichtingen zal nakomen. Het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat zij geen wezenlijke gedragsverandering had gerealiseerd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.