Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
,zaakdoende en wonende te [woonplaats] ,
,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 4 juni 2018 door [appellante] toegezonden producties, die bij pleidooi in het geding zijn gebracht
6.De verdere beoordeling
voor de relatie tussen u en het [centrum] , voornamelijk van financiële aard (..). Hetgeen (..) daadwerkelijk binnenkomt stel ik voor te verdelen 50/50 tussen u en het centrum. Dat is voor u derhalve meer dan de oude regeling 55/45, hetgeen als een tegemoetkoming moet worden gezien voor de (incasso-) en andere problemen.
(..) Nog afgezien van die eigen verantwoordelijkheid, stelt de faillissementswet wat dat betreft zijn eigen grenzen en geschiedt alles waar nodig onder voorbehoud van toestemming van de rechtbank. (..)”.
Bijgaand conform afspraak de overeenkomst, met de door u voorgestelde wijzigingen (..)”. De conceptovereenkomst had als kop: “
Samenwerkingsovereenkomst”. De considerans luidt:
Nemen het navolgende in aanmerking:
Overeenkomst van opdracht” en de tweede zin van de considerans gewijzigd in:
geen sprake is van overeenstemming tussen dr. [appellante] en de curator en vallen we dus gewoon terug op de oude samenwerkingsovereenkomst die mondeling was aangegaan tussen dr. [appellante] en de praktijk.”
OK!”. Daarna schrijft de advocaat van [appellante] op diezelfde dag dat zijn cliënte niet akkoord is en nog enkele aanvullende elementen verwerkt wil zien in de overeenkomst.
op basis waarvan zij 45% krijgt van haar omzet (..). Dit geldt vanaf faillissementsdatum. Ik sta daarbij open voor bewijsmiddelen dat zij recht zou hebben op 46 % (..).”
alles[geschiedt]
waar nodig onder voorbehoud van toestemming van de rechtbank”.In de procedure voert de curator aan dat hij met rechtbank heeft bedoeld: rechter-commissaris. Het hof is van oordeel dat deze brief van de curator door [appellante] niet snel zal zijn begrepen als dat de curator daarin bedingt dat zijn aanbod slechts onder de opschortende voorwaarde van toestemming van de rechter-commissaris is gedaan.
binnen een hem daartoe schriftelijk door de wederpartij gestelde redelijke termijn” bereid moet verklaren de overeenkomst gestand te doen. Door [appellante] is aan de curator niet schriftelijk een zodanige termijn gesteld. Hier is daags na het faillissement een bespreking geweest tussen de curator, [appellante] en [appellante] ’s collega [tandarts] , in aanwezigheid van twee andere medewerkers van de praktijk. Daarbij heeft de curator toen, zoals [appellante] verklaarde en de curator beaamde, aan [appellante] en [tandarts] gevraagd of zij wilden doorwerken in de praktijk, in het belang van de boedel. [tandarts] wilde dat niet, [appellante] wel.
dat is niet de herinnering van mr. [curator]”, hetgeen een onvoldoende gemotiveerde betwisting betreft van het gebruik van de term dwangcrediteur.
In eerste aanleg heeft de curator dit zelf ook nog zo gesteld. De conclusie van antwoord van de curator onder 4 luidde onder meer: “
De boedel had er belang bij dat de praktijk na faillissementsdatum bleef doordraaien (..). Daarover heeft de curator met [appellante] gesproken en [appellante] is arbeid blijven verrichten, zulks in het kader van artikel 37 Fw Pro. (..)”. Onder nr 36 cva stelde de curator: “
De rechtsverhouding tussen partijen wordt bepaald door de overeenkomst die [appellante] en [betrokkene] indertijd zijn aangegaan en die na datum faillissement door partijen op grond van artikel 37 Fw Pro is voortgezet.”. Deze uitlatingen, waarop de curator in het verloop van de procedure is teruggekomen, sterken de overtuiging van het hof dat [appellante] er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat de curator bedoelde de overeenkomst met [betrokkene] gestand zou doen, als bedoeld in artikel 37 Fw Pro.
betaling van 46% van de door[u]
verrichte honorariumomzet”. Nergens blijkt uit dat [betrokkene] destijds het debiteurenrisico bij [appellante] heeft gelegd of heeft willen leggen, terwijl uit de onderhandelingen blijkt dat de curator dat - niet onbegrijpelijk- juist wel wilde doen. [appellante] heeft gesteld en de curator heeft dat niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, dat [betrokkene] haar betaalde op basis van de door haar als tandarts gerealiseerde omzet. Het hof heeft geoordeeld dat de curator de overeenkomst gestand heeft gedaan zoals zij was vóór faillissement. Dit alles maakt, ook in onderling verband beschouwd, dat het voldoende bewezen is dat die gestanddoening betreft de verrichte - door [appellante] gerealiseerde en daarmee te declareren en dus door de praktijk te factureren - omzet, want, zoals de curator zelf zegt, partijen zijn het niet eens geworden over iets anders dan er al was.