Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3222523, rolnummer 14-6117)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met twee producties;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
- [geïntimeerde] huurt sinds 1 november 1992 de woning aan de [adres] te [plaats] , laatstelijk van [appellante] .
- In artikel 8 van Pro de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:
- De meerderjarige zoon van [geïntimeerde] , [zoon van geïntimeerde] (hierna: [zoon van geïntimeerde] ), is in de woning opgegroeid en woont nog steeds bij zijn moeder.
- Op 18 december 2009 heeft de politie een inval gedaan in de woning, waarbij het glas van de voordeur is verbroken en het slot van de voordeur is geforceerd. De politie heeft een weegschaaltje, cocaïne en contant geld aangetroffen en [zoon van geïntimeerde] in de woning aangehouden wegens overtreding van de Opiumwet. [geïntimeerde] en een van haar dochters zijn in de woning aangekomen toen de politie daar nog aanwezig was. [zoon van geïntimeerde] is een dag na de aanhouding in vrijheid gesteld.
- De politie heeft op 2 november 2013 een rapport opgesteld ter zake een onderzoek met betrekking tot de handel in drugs in het gehuurde. In het rapport is onder meer het volgende opgenomen:
- Het rapport van de politie van 2 november 2013 is voorgelegd aan de burgemeester met het verzoek om over te gaan tot sluiting van de woning op de voet van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester is niet overgegaan tot sluiting van de woning omdat op grond van de beleidsregels bij een eerste overtreding wordt volstaan met een waarschuwing en pas bij een tweede overtreding wordt overgegaan tot sluiting van de woning.
- [appellante] heeft bij brief van 20 maart 2014 aan [geïntimeerde] meegedeeld dat zij de huurovereenkomst wil beëindigen, waarbij [geïntimeerde] in de gelegenheid is gesteld de huur vrijwillig op te zeggen. [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd.
- Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 februari 2015 is bewezen verklaard dat [zoon van geïntimeerde] in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 oktober 2013 meermalen opzettelijk, kort gezegd, cocaïne heeft verkocht vanuit het gehuurde en dat hij op 10 oktober 2013 opzettelijk 2,9 gram cocaïne aanwezig heeft gehad in het gehuurde. De rechtbank heeft [zoon van geïntimeerde] in verband daarmee veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk. [zoon van geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.
- In dat hoger beroep heeft de meervoudige strafkamer van dit hof bij arrest van 10 september 2015 bewezen verklaard dat [zoon van geïntimeerde] in de periode van 1 januari 2012 tot 10 oktober 2013 meermalen opzettelijk, kort gezegd, cocaïne heeft verkocht vanuit het gehuurde en dat hij op 10 oktober 2013 opzettelijk 2,9 gram cocaïne aanwezig heeft gehad in het gehuurde. Het hof heeft [zoon van geïntimeerde] in verband daarmee veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Tegen dit arrest is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het kracht van gewijsde heeft gekregen.
- Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 augustus 2016 heeft de rechtbank het bedrag van het door [zoon van geïntimeerde] met de strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 51.920,-- en aan [zoon van geïntimeerde] de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat.
- Op grond van de in het geding gebrachte stukken kan niet zonder meer worden aangenomen dat er vanuit het gehuurde in drugs is gehandeld (rov. 4.2).
- Op [appellante] rust de bewijslast van haar stelling dat in of vanuit het gehuurde in drugs is gehandeld (rov. 4.3).
- [appellante] is geslaagd in de levering van het bewijs dat de zoon van [geïntimeerde] vanuit het gehuurde in drugs heeft gehandeld (rov. 2.2).
- Beoordeeld moet nu worden of [geïntimeerde] zich, in het licht van de gedragingen van haar zoon, zelf niet als goed huurder heeft gedragen (rov. 2.3).
- In dat verband is relevant of [geïntimeerde] wist van de handel in cocaïne die haar zoon vanuit het gehuurde dreef, dan wel dat zij daarmee ernstig rekening heeft moeten houden, gelet op hetgeen zij wist of behoorde te weten (rov. 2.5).
- Er zijn geen omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] bekend was met de drugshandel van haar zoon dan wel daarmee bekend had moeten zijn (rov. 2.6).
- [appellante] moet daarom bewijzen dat [geïntimeerde] wist dat haar zoon vanuit het gehuurde in drugs handelde, dan wel omstandigheden bewijzen op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij dat redelijkerwijs had behoren te weten dan wel had behoren te vermoeden dat hij dat deed (rov. 2.7).
- Bij de politie-inval van 18 december 2009 heeft de politie de ruit van de voordeur verbroken, het slot geforceerd en [zoon van geïntimeerde] aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. [geïntimeerde] is ter plaatse gekomen toen de politie nog in de woning aanwezig was. Dit had voor [geïntimeerde] een signaal moeten zijn dat haar zoon zich mogelijk bezig hield met ontoelaatbare activiteiten in het gehuurde. Het had bij haar in elk geval vragen moeten doen rijzen over de reden van de politie-inval en van de aanhouding van haar zoon. Verder had deze niet alledaagse gang van zaken voor [geïntimeerde] aanleiding moeten zijn om de handelingen van [zoon van geïntimeerde] in de jaren na 2009 kritisch te volgen en daarop controle uit te oefenen. De verantwoordelijkheid die [geïntimeerde] jegens [appellante] had voor een goed gebruik van het gehuurde bracht dit mee.
- Het politieonderzoek van 2013 is gestart omdat de politie meerdere meldingen kreeg dat vanuit het gehuurde in drugs werd gehandeld. Meldingen van omwonenden hielden in dat bezoekers langsreden en claxonneerden en dat meerdere keren per dag ongure types aan de voordeur van het gehuurde kwamen. De door de politie uitgevoerde observaties hebben het beeld dat uit de meldingen naar voren kwam bevestigd. Uit de observaties is onder meer gebleken dat de woning veelvuldig kort werd bezocht, vaak door mensen met antecedenten voor de Opiumwet, ook werden door de politie bekende cocaïne gebruikers herkend. Indien omwonenden deze signalen van activiteit rondom de huurwoning hebben gemeld, is moeilijk voorstelbaar dat [geïntimeerde] niets heeft gemerkt van deze activiteiten van [zoon van geïntimeerde] . Gelet op de vele korte contacten had [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof niet mogen aannemen dat het louter om vriendschappelijke ontmoetingen ging.
- De drugshandel heeft in elk geval gedurende meer dan anderhalf jaar plaatsgevonden. Het uit de observaties gerezen beeld dat de handel niet van zeer beperkte omvang was, wordt bevestigd door de beslissing van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 15 augustus 2016 waarbij het door [zoon van geïntimeerde] met de strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 51.920,--. Ook dit wijst er naar het oordeel van het hof op dat de aanwijzingen dat deze handel vanuit het gehuurde plaatsvond, tamelijk intensief was en om die reden [geïntimeerde] , als bewoonster van wie bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel mag worden aangenomen dat zij een groot deel van de dag in de woning doorbrengt, redelijkerwijs niet heeft kunnen ontgaan.
- [geïntimeerde] heeft niet de stelling van [appellante] (blz. 6 en blz. 10 memorie van grieven) betwist dat er zowel in 2009 als in 2013 drugs- en gebruikersattributen zijn aangetroffen op de kamer van [zoon van geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft niet betwist dat ook zij, als zij af en toe een blik in de kamer van haar zoon zou hebben geworpen, deze zaken had kunnen aantreffen.
- De door [geïntimeerde] , haar dochters en [zoon van geïntimeerde] in contra-enquête afgelegde verklaringen acht het hof niet overtuigend. [geïntimeerde] heeft een evident belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure, en om die reden moet haar verklaring met de nodige behoedzaamheid worden gewaardeerd. Hetzelfde geldt onverkort ten aanzien van de verklaring die [zoon van geïntimeerde] , die eveneens in het gehuurde woont, heeft afgelegd. De omstandigheid dat hij zich aan drugshandel heeft schuldig gemaakt, komt bovendien zijn betrouwbaarheid niet ten goede. Ook de verklaringen van de dochters moeten met behoedzaamheid worden gewaardeerd omdat ook zij zullen wensen dat hun moeder haar woning niet hoeft te verlaten. Daar komt bij dat de verklaringen van deze getuigen ten aanzien van mogelijke vermoedens van wetenschap bij [geïntimeerde] over het handelen van haar zoon uitsluitend neerkomen op blote ongemotiveerde ontkenningen, terwijl daarbij geen plausibele verklaring wordt gegeven op grond waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat de aanwijzingen voor drugshandel [geïntimeerde] gedurende lange tijd geheel hebben kunnen ontgaan.
4.De uitspraak
- ontbindt de huurovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaats] met ingang van heden;
- veroordeelt [geïntimeerde] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit arrest te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van [appellante] zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [appellante] te stellen;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter en begroot deze kosten aan de zijde van [appellante] tot op heden op € 102,27 aan dagvaardingskosten, € 115,-- aan griffierecht en op € 600,-- aan salaris gemachtigde;