Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4600336 CV EXPL 15-8864)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven tevens wijziging van eis met drie producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met 23 producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met 14 producties;
- het pleidooi van 18 januari 2018, waarbij de advocaten van partijen hebben gepleit aan de hand van pleitnota's;
- de bij brief van 3 januari 2018 namens [appellant] toegezonden productie 18 en de bij brief van 3 januari 2018 namens de Holding toegezonden producties 24 tot en met 26, die [appellant] respectievelijk de Holding ter gelegenheid van het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
Uw voorstel is niet akkoord.
Mijn cliënten stellen zich op het standpunt dat er door het vonnis van 8 juli jl. sprake is van een nieuwe situatie en daarmee ook het voorstel van 1 juli jl. is komen te vervallen. Cliënten (...) stellen dat zij aan het voorstel, welke reeds ook ter gelegenheid van de comparitie van partijen is overgebracht, de voorwaarde is verbonden dat het voorstel,voordat vonnis werd gewezen in deze procedure diende te zijn geaccepteerd. Kennelijk heeft uw cliënt nadat hij kennis heeft genomen van het vonnis van 8 juli jl. alsnog zijn zegeningen geteld en is daarom alsnog met grote spoed akkoord gegaan met het voorstel.'
€ 5.550,00 op geen enkele wijze is onderbouwd. Het hof ziet geen aanleiding om de Holding alsnog in de gelegenheid te stellen om ten aanzien hiervan facturen in het geding te brengen. Tijdens het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat het gehuurde eind november 2016 weer volledig in gebruik is genomen als café-restaurant, zodat aangenomen kan worden dat op dat moment alle herstelwerkzaamheden waren afgerond. De Holding heeft dus al ruimschoots de gelegenheid gehad om de onderliggende facturen in het geding te brengen.