Belanghebbende, een alleenstaande moeder die vanwege huiselijk geweld en stalking niet op een woonadres maar op een briefadres stond ingeschreven, vorderde toekenning van de alleenstaande-ouderkorting over het jaar 2013. De Inspecteur wees dit af omdat de inschrijving niet op een woonadres plaatsvond. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Hof.
Het Hof stelde vast dat de wetgever bij artikel 8.15 van de Wet IB 2001 bewust aansluiting zocht bij het criterium van inschrijving op hetzelfde woonadres om dubbele toekenning van de korting bij co-ouderschap te voorkomen. Echter, de wetgever had ook in de Wet GBA en later de Wet basisregistratie personen voorzien in inschrijving op een briefadres om veiligheidsredenen, zoals in dit geval.
Het Hof oordeelde dat de term "woonadres" in artikel 8.15 Wet IB 2001 niet zo ver reikt dat deze ook de bijzondere situatie van inschrijving op een briefadres om veiligheidsredenen omvat. Een louter taalkundige uitleg zou leiden tot onbedoelde uitsluiting van alleenstaande ouders die vanwege hun veiligheid niet op een woonadres kunnen worden ingeschreven.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur vernietigd, en de alleenstaande-ouderkorting toegekend. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende.