Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg (met het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg) en producties, ingekomen ter griffie op 8 december 2017;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 19 januari 2018;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met een productie, ingekomen ter griffie op 31 januari 2018;
3.De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
grief 2 in principaal hoger beroepkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden.
nahet einde van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:653 BW Pro), maar niet een bepaling met betrekking tot de beperking van de vrije arbeidskeuze
tijdensde arbeidsovereenkomst. Het hof ziet in het ontbreken van een bepaling hierover in titel 10 van boek 7 BW geen aanleiding om zwaardere eisen te stellen aan een verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden dan aan een concurrentieverbod en naar analogie te oordelen. Immers, het is (in de regel) minder bezwaarlijk om
tijdensde arbeidsovereenkomst te worden beperkt in het recht op vrije arbeidskeuze, dan
na afloop vande arbeidsovereenkomst, vanwege de mogelijkheid om met het loon in het levensonderhoud te kunnen voorzien. [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij naast zijn werk bij [de vennootschap] nog inkomen nodig had naast zijn loon. Hij heeft ook niet aangevoerd dat of waarom het ontwikkelen van de app voor hem zo belangrijk was, dat het beroep van [de vennootschap] op het beding daarvoor moet wijken. Het beding voldoet aan de totstandkomingsvoorwaarden zoals die gelden voor een non-concurrentiebeding, zodat daarin geen reden is om te oordelen dat het beding niet geldig is. [appellant] heeft onvoldoende toegelicht waarom het onderhavige beding niet geldig zou zijn of waarom [de vennootschap] geen beroep op het beding zou mogen doen. Het stond [appellant] vrij een app te ontwikkelen, maar niet een app die is gericht op, kort gezegd, marketing.
eerste onderdeel van grief 3 in principaal hoger beroepis er op overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding geen boete gesteld, omdat in artikel 17.2 wordt vermeld dat op overtreding van het in
16.1bepaalde een boete wordt verbeurd en omdat artikel 16.1 niet gaat over het verrichten van nevenwerkzaamheden, maar over geheimhouding.
tweede onderdeel van grief 3 in principaal hoger beroep en grief 2 in incidenteel hoger beroepzien op matiging van de boete. Volgens [appellant] had de kantonrechter de boete moeten matigen tot nihil; volgens [de vennootschap] had de kantonrechter niet tot matiging van de boete mogen overgaan.
grief 6 in principaal hoger beroepkomt [appellant] op tegen zijn veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] in eerste aanleg als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden. De grief faalt dus. Voor zover het verzoek van [appellant] zoals hiervoor weergegeven in 3.3.1 als nummer 2 ziet op zijn proceskostenveroordeling, wordt dat verzoek dus afgewezen.