Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2016.
- het verweerschrift in hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 22 november 2016;
- productie HB6 van de zijde van [verweerster] , in gekomen ter griffie op 19 januari 2017;
- [verweerster] , bijgestaan door mr. J.A. van Soolingen;
- de ter zitting door partij [Automatisering] overgelegde pleitnota.
3.De beoordeling
bestaaten op hetgeen zich
nainwerkingtreding voordoet (Vgl. Parlementaire geschiedenis BW Inv. 3, 5 en 6 Overgangsrecht 1991, p. 36 (nr. 4), M.v.A. II Inv., W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, ten aanzien van artikel 68a). Voor de onderhavige situatie betekent het voorgaande dat indien [Automatisering] ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid redelijkerwijs geacht moet worden opvolgend werkgever voor [verweerster] te
zijn, de gevolgen die de Wet werk en zekerheid aan dit
zijnvan opvolgend werkgever verbindt, tenzij (bij overgangsrecht) anders is bepaald, wel onmiddellijk van toepassing zijn op [Automatisering] .
of[Automatisering] op het moment van inwerkingtreding redelijkerwijs geacht moet worden jegens [verweerster] opvolgend werkgever te zijn dient evenwel te worden beantwoord op basis van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid. Aan het huidige criterium (dat wil zeggen het criterium onder de Wet werk en zekerheid) op grond waarvan werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moet worden elkaars opvolger te zijn, zoals bepaald in artikel 7:668a BW lid 2, is immers geen terugwerkende kracht verleend.