Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende is eigenaar van een woning met bijbehorende percelen, waarbij een klein deel van een voormalige winkel en een klampmuur onderdeel uitmaken van het geheel. De Heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast op €106.000, welke na bezwaar en beroep werd verlaagd tot €78.000 door de rechtbank. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en vorderde een verdere verlaging van de waarde.
Het geschil betrof de juiste objectafbakening en de waardering van het gedeelte klampmuur dat niet in gebruik is bij belanghebbende. Het hof oordeelde dat het perceel en de woning als samenstel als één onroerende zaak moeten worden beschouwd, omdat deze bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en bij elkaar horen. Het niet in gebruik zijnde deel van de klampmuur is door de Heffingsambtenaar reeds in mindering gebracht op de waarde.
De taxatiematrix en vergelijkingsobjecten die de Heffingsambtenaar overlegd had, werden door het hof als voldoende bewijs aanvaard. Het verzoek tot heropening van het onderzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen vergoeding van het griffierecht toegewezen en geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €78.000 wordt bevestigd.