Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
3. [appellant 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5790234, rolnummer VV EXPL 17-18)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven van [appellanten c.s.] met drie producties;
- de memorie van antwoord van Woonkwartier met twee producties;
- de akte van [appellanten c.s.] van 26 september 2017 met twee producties (nr. 4 en nr. 5);
- de antwoordakte van Woonkwartier van 10 oktober 2017;
- de akte houdende rectificatie van [appellanten c.s.] van 24 oktober 2017 met producties;
- de antwoordakte rectificatie van Woonkwartier van 7 november 2017 met een productie.
3.De beoordeling
- a. Op 10 februari 2011 hebben de heer [onderbewindgestelde] (verder te noemen: “ [onderbewindgestelde] ”) en de rechtsvoorgangster van Woonkwartier, de stichting Bernardus Wonen, een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van de woning met aanhorigheden, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] .
- b. Op deze huurovereenkomst zijn de destijds door Bernardus Wonen gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing.
- c. In artikel 7.6 van de algemene voorwaarden is de volgende bepaling opgenomen:
- d. Op 11 november 2016 heeft er in de door [onderbewindgestelde] gehuurde woning een doorzoeking door politieambtenaren plaatsgevonden. Bij dit onderzoek zijn in de woning van [onderbewindgestelde] diverse verdovende middelen aangetroffen.
- e. Uit de bestuurlijke rapportage d.d. 19 december 2016 blijkt dat de volgende middelen zijn aangetroffen:
- f. Deze middelen komen voor op de lijsten I en/of II van de Opiumwet.
- g. Bij beschikking van 13 februari 2017 heeft de Burgemeester van de gemeente Halderberge de door [onderbewindgestelde] gehuurde woning op basis van artikel 13b Opiumwet voor een periode van drie maanden gesloten, ingaande op 1 maart 2017 en eindigende op 1 juni 2017;
- h. De sluiting is op 1 maart 2017 – buiten aanwezigheid van Woonkwartier – ook daadwerkelijk geëffectueerd met dien verstande dat door of namens de Burgemeester met [onderbewindgestelde] de afspraak is gemaakt dat hij eenmaal per drie weken (onder toezicht) de woning mag betreden voor het plegen van onderhoud aan twee in de woning aanwezige zoetwateraquaria.
- i. Bij aangetekende brief van 16 februari 2017 heeft Woonkwartier de tussen partijen bestaande huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro juncto artikel 6:267 BW Pro.
- j. In de brief heeft Woonkwartier [onderbewindgestelde] gesommeerd om het gehuurde op 28 februari 2017 geheel ontruimd en in goede staat op te leveren maar aan deze sommatie heeft [onderbewindgestelde] niet voldaan.
- Woonkwartier heeft de huurovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW Pro. [appellanten c.s.] moeten de woning daarom ontruimen.
- Bovendien is [onderbewindgestelde] ernstig tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door in het gehuurde in november 2016 een grote hoeveelheid drugs voorhanden te hebben. Indien in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst wordt gevorderd vanwege deze tekortkoming, zal die vordering vrijwel zeker worden toegewezen.
- Woonkwartier heeft er een spoedeisend belang bij dat [onderbewindgestelde] de woning ontruimt.
- Woonkwartier heeft op basis van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis de ontruiming van de woning aangezegd tegen 9 mei 2017. [appellanten c.s.] hebben vervolgens een executiegeschil aanhangig gemaakt tegen Woonkwartier en daarin bij wege van voorlopige voorziening schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 april 2017 gevorderd. Bij vonnis in kort geding van 8 mei 2017 (zaaknummer C/02/329855, rolnummer KG ZA 17-257) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, deze vordering afgewezen. De door Woonkwartier ingeschakelde deurwaarder heeft de woning vervolgens op 9 mei 2017 ontruimd.
- [onderbewindgestelde] heeft bij het college van B&W een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van de Burgermeester van 13 februari 2017 tot sluiting van de woning. Het bezwaar is mondeling behandeld op 14 juni 2017. Bij besluit van 10 juli 2017, verzonden op 11 juli 2017, heeft het college van B&W het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. [onderbewindgestelde] heeft bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
- twee weegschalen;
- 18 ponypacks cocaïne kleur wit;
- 3 gripzakjes cocaïne kleur blauw;
- 1 plastic zak met cocaïne
- 1 blokje onversneden cocaïne,1.1 gram
- 5, 46, 87 en 115 gram onbekend wit poeder, on te versnijden;
- 2 flesjes cocaïne testers
- 1,2 gam hashisch
- 4,6 gam hennep
- 24,9 gram hennepgruis
- een geladen pistool en diverse patronen.
- door de huurovereenkomst goed na te komen, een veroordeling tot ontruiming van de woning te voorkomen;
- indien een ontruiming toch wordt uitgesproken, de nadelige gevolgen daarvan zelf op te vangen, zo nodig met hulp van hulpverlenende instanties.