Belanghebbende, een voormalig tandarts, stelde in hoger beroep dat de aftrek van periodieke uitkeringen aan zijn ex-echtgenote onjuist was vastgesteld. De zaak betrof de aanslag inkomstenbelasting over 1998, waarbij de Inspecteur een deel van de opgegeven alimentatieaftrek niet erkende vanwege onduidelijkheid over de aard en het moment van de opnamen van gelden door de ex-echtgenote van de gezamenlijke praktijkrekening.
Het hof stelde vast dat belanghebbende en zijn ex-echtgenote sinds het najaar van 1997 duurzaam gescheiden leefden. Hoewel belanghebbende stelde dat de ex-echtgenote de opnamen gebruikte voor haar levensonderhoud, was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze betalingen als periodieke uitkeringen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 konden worden aangemerkt. De opnamen werden niet als juridisch afdwingbare verplichtingen beschouwd, maar als natuurlijke verbintenissen.
Het hof onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat het niet duidelijk was of de opnamen ten laste van het vermogen van belanghebbende kwamen en dat er onvoldoende inzicht was gegeven in de aard van de opnamen. Ook het bewijs over het moment van beëindiging van de maatschap en de werkzaamheden van de ex-echtgenote was onvoldoende. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.