De watersportverenigingen hebben bij de rechtbank een verzoek ingediend om leden van de Raad van Toezicht van een stichting te ontslaan wegens wanbeheer en belangenverstrengeling. De rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk omdat de wet geen grondslag biedt voor ontslag van RvT-leden en analoge toepassing van bestuursrechtelijke bepalingen niet mogelijk is. Ook ontbrak een statutaire grondslag voor een welwillendheidsbeslissing door de rechter.
In hoger beroep voerden de verenigingen aan dat de RvT feitelijk een deel van het bestuur vormt en dat er een mogelijkheid moet zijn om via de rechter ontslag af te dwingen. Het hof oordeelde dat de statuten een duidelijke scheiding maken tussen bestuur en RvT, waarbij de RvT toezichthoudende taken heeft en niet als bestuur fungeert. De artikelen 2:298 en 2:299 BW zijn daarom niet van toepassing.
Verder bevestigde het hof dat een welwillendheidsbeslissing niet mogelijk is zonder duidelijke statutaire grondslag en dat het ontbreken daarvan betekent dat de rechter niet bevoegd is om hierover te oordelen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De watersportverenigingen werden veroordeeld in de proceskosten.