Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[de vennootschap 1] SE,gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigd Koninkrijk,
[de vennootschap 2] Limited,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigd Koninkrijk,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/283900/HAZA 14-693)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
3.7. Verstrekkingswijze
Als er een borrel was dan was het de gewoonte dat de kraan moest worden opengedraaid, dat weten de dames, dat hebben ze toen met die schade ook gedaan, dat is de normale gang van zaken, daar hebben ze niemand voor nodig ook niet de TD (locatie beheer [BV] ), alleen zijn ze dit keer blijkbaar vergeten de kraan dicht te draaien”.
De bar (..) stond inmiddels al weer maanden op de plaats in het bedrijfsrestaurant waar die ook stond ten tijde van het voorval. De bar was daar door de technische dienst van [BV] aangesloten op de vaste kraan (..). De bar stond vast in het restaurant en is daar na de receptie ook gewoon blijven staan. (..)\
“(..) De medewerksters doen de kraan op de spoelbak van de mobiele bar open en als daar geen water uitkomt, doen zij de vaste kraan op de muur open. Ik weet niet of die dag de vaste kraan is opengedraaid. Niemand kan zich herinneren of de vaste kraan op de muur is dichtgedraaid na afloop van de werkzaamheden. (..) ook ik heb niet bij hen doorgevraagd welke kraan of kranen zij specifiek hadden opengedraaid. (..) De mobiele bar werd ongeveer eens in de twee maanden gebruikt. Wij geven geen specifieke instructies aan ons personeel met betrekking tot kranen.”
nietgebruikt wordt geen normaal gebruik van de mobiele bar is. Slang en koppeling zijn daar niet voor bedoeld, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellanten]
onzorgvuldig handelen of nalaten” als bedoeld in die BBr. Daarvan is geen sprake, aldus [geïntimeerde] . De rechtbank was van oordeel, anders dan het hof, dat [geïntimeerde] niet toerekenbaar tekort geschoten was jegens [BV] . Aan het subsidiaire verweer van [geïntimeerde] is de rechtbank dus niet toegekomen. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep, die met zich brengt dat bij het slagen van de grieven alle in eerste aanleg niet behandelde of verworpen verweren alsnog door het hof beoordeeld moeten worden, zal het hof nu ook zijn oordeel geven over dit subsidiaire verweer.
indien en voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (..) hebben bedoeld een beroep te doen op onrechtmatige daad” dat beroep op artikel 6:162 BW Pro faalt. Tegen dit oordeel is grief IV van [appellanten] gericht, waarin [appellanten] – subsidiair – aanvoert dat [geïntimeerde] jegens [BV] onrechtmatig heeft gehandeld. In de toelichting op deze grief bespreken [appellanten] , zo begrijpt het hof deze tekst althans, in ieder geval deels ook het subsidiaire beroep van [geïntimeerde] op de BBr 2000. Het hof zal daarom datgene wat in deze grief is aangevoerd betrekken bij de beoordeling van het subsidiaire verweer van [geïntimeerde] .
7.2. Brandverzekering