3.1.In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. [appellanten] exploiteren een camping. [geïntimeerde] is op 1 april 2010 in dienst getreden van [appellante 1] . Laatstelijk was hij werkzaam in de functie van algemeen medewerker, tegen en salaris van € 1.761,54 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
In de nacht van 8 op 9 juni 2014 rond sluitingstijd heeft [geïntimeerde] tijdens zijn werkzaamheden aan de bar een biljet van € 50,00 als fooi ontvangen, dat hij onder het pinapparaat heeft gelegd, in plaats van in de daarvoor bestemde fooienpot.
[geïntimeerde] is op 9 juni 2014 door [appellante 1] op staande voet ontslagen. Het ontslag is bij brief van 10 juni 2014 bevestigd. Daarin bericht [appellante 1] , voor zover van belang, aan [geïntimeerde]: (…) “Hierbij bevestigen wij dat wij u op 8 juni 2014 op staande voet hebben ontslagen. De reden voor dit ontslag is dat wij u betrapt hebben op een poging tot diefstal. (…)”.
Bij brief van 11 juni 2014 heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag en heeft hij zich bereid verklaard zijn werkzaamheden bij [appellante 1] te hervatten.
Bij vonnis 4 september 2014 heeft de kantonrechter te Middelburg, rechtdoende als voorzieningenrechter, de vorderingen van [geïntimeerde] tot betaling van het loon na 8 juni 2014 en wedertewerkstelling afgewezen.
Bij beschikking van de kantonrechter te Middelburg van 4 september 2014 is de arbeidsovereenkomst tussen [appellante 1] en [geïntimeerde], voor zover deze nog bestaat, per 18 september 2014 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van € 5.707,39 bruto aan [geïntimeerde], onder de opschortende voorwaarde dat tussen partijen rechtens komt vast te staan dat het ontslag nietig is.