Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep ongegrond en
- bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, neef van de overleden erflater, stelde dat het lagere erfbelastingtarief voor kinderen van de erflater op hem toegepast moest worden. Het geschil betrof de toepassing van tariefgroep II in de Successiewet 1956, waarbij belanghebbende vond dat het onderscheid tussen kinderen en niet-kinderen niet meer gerechtvaardigd was.
Het hof overwoog dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het indelen van belastingplichtigen in tariefgroepen en dat eerdere arresten van de Hoge Raad deze vrijheid bevestigen. De wetgever heeft het onderscheid tussen kinderen en neven niet overschreden en het tarief is niet in strijd met internationale verdragen zoals het EVRM.
Belanghebbendes verzoek om toepassing van een toekomstig tarief of aanpassing van de wet wegens veranderde samenlevingsvormen werd afgewezen, omdat de rechter gebonden is aan de wet zoals die gold op het moment van overlijden. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de rechter niet bevoegd is om de innerlijke waarde van de wet te toetsen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.