ECLI:NL:GHSHE:2017:190

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 januari 2017
Publicatiedatum
20 januari 2017
Zaaknummer
15/01184
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de belastingheffing over kilometervergoeding en heffingsrente

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin de inspecteur van de Rijksbelastingdienst een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft opgelegd. De belanghebbende, werkzaam bij [C] B.V., ontving een kilometervergoeding van € 0,31 per kilometer voor zakelijke ritten, maar de werkgever had slechts € 0,19 per kilometer als belastbaar loon aangemerkt. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 5.673 als scholingskosten opgevoerd, wat door de inspecteur niet werd geaccepteerd. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Tijdens de zitting op 10 oktober 2016 werd het geschil besproken, waarbij belanghebbende stelde dat de kilometervergoeding boven de € 0,19 ten onrechte als loon was aangemerkt en dat de heffingsrente onterecht was opgelegd. Het Hof oordeelde dat de inspecteur de kilometervergoeding correct had behandeld en dat de heffingsrente in overeenstemming met de wet was opgelegd. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, waarbij het belanghebbende niet lukte om zijn stellingen te onderbouwen. De slotsom was dat het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de Rechtbank werd bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 15/01184
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 september 2015, nummer AWB 15/1775 in het geding tussen
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Rijksbelastingdienst
hierna: de Inspecteur,
betreffende na te melden aanslag en beschikking heffingsrente.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.721 (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 257. De aanslag en beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
1.2.
Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De zitting heeft plaatsgehad op 10 oktober 2016 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [A] en mevrouw [B] .
1.5.
Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2.Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:
2.1.
Belanghebbende is sinds 1979 werkzaam bij [C] B.V. (hierna: de werkgever). Belanghebbende werkt als accountmanager/dierenartsbezoeker en bezoekt in opdracht van de werkgever relaties.
2.2.
Belanghebbende heeft in privé een [automerk] (hierna: de auto) aangeschaft en rijdt met de auto zowel zakelijke als privékilometers. Belanghebbende heeft in 2011 met de auto 5.952 kilometers in privé gereden en 46.699 kilometers zakelijk gereden. Voor de zakelijk gereden kilometers ontvangt belanghebbende van de werkgever een kilometervergoeding van € 0,31 per kilometer.
2.3.
De werkgever heeft de aan belanghebbende toegekende kilometervergoeding voor een bedrag van € 5.603,88 (€ 0,12 per kilometer) als belastbaar loon aangemerkt en hierover de verschuldigde belasting afgedragen. In 2011 heeft de werkgever niet de werkkostenregeling toegepast.
2.4.
Belanghebbende heeft op 19 augustus 2012 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 61.048. Belanghebbende heeft hierbij een bedrag van € 5.673 aangegeven als aftrekbaar bedrag aan scholingsuitgaven. In de omschrijving heeft belanghebbende vermeld:
“Dit betreft geen studiekosten maar belaste km vergoeding. Belastingdienst heft onterecht belasting over mijn zakelijk verreden km’s. Dit betreft absoluut geen inkomsten maar gemaakte kosten om mijn werk te blijven verrichten dus inkomsten te verwerven. 46.699 km Belast 5673 euro + 500euro drempel”.
2.5.
De aanslag IB/PVV over het jaar 2011 is in afwijking van de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.721. Hierbij is de aftrek scholingsuitgaven van € 5.673 niet geaccepteerd.
2.6.
Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 10 februari 2015 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.
2.7.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Is de van de werkgever ontvangen kilometervergoeding voor zover deze een bedrag van
€ 0,19 per kilometer te boven gaat door de Inspecteur ten onrechte als loon in aanmerking genomen?
2. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Levert de belastingheffing over deze van de werkgever ontvangen vergoeding voor zover deze een bedrag van € 0,19 per kilometer te boven gaat strijd op met het gelijkheidsbeginsel?
3. Heeft de Inspecteur ten onrechte heffingsrente in rekening gebracht?
Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
3.2.
Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van € 61.048. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
“2.10. Artikel 15 van het Overgangsrecht Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: het Overgangsrecht) bepaalt:
“Vrije vergoedingen zijn:
a. vergoedingen voorzover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;
b. andere vergoedingen voorzover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren.”
2.11.
Artikel 15b, eerste lid, letter a, van het Overgangsrecht luidt:
“1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen ter zake van:
a. vervoer, waar onder woon-werkverkeer, indien dat vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of ter beschikking gesteld vervoermiddel, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 0,19 per kilometer en geen vergoeding is als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, artikel 15a, eerste lid, onderdeel k;”
2.12.
Vaststaat dat belanghebbende in 2011 een kilometervergoeding van € 0,31 per kilometer ontving voor de zakelijk gereden kilometers. Gelet op hetgeen vermeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel a van het Overgangsrecht heeft de werkgever het bedrag van de kilometervergoeding boven de € 0,19 per kilometer terecht als belastbaar loon aangemerkt en de verschuldigde belasting hierover afgedragen.
2.13.
Voor de door belanghebbende gevraagde aftrek bestaat geen wettelijke grond. Belanghebbendes stelling dat de wet onbillijk is, kan hem niet baten. De rechtbank is immers niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid een juiste wetstoepassing achterwege te laten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, (
Hof: Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28), is immers voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.
2.14.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat er sprake is van discriminatie tussen zij die een auto leasen en geen belasting hoeven te betalen over de zakelijk gereden kilometers en zij die, net zoals belanghebbende, met hun privéauto zakelijke kilometers rijden en over de vergoeding die zij ontvangen voor de zakelijke gereden kilometers wel belasting moeten betalen.
2.15.
Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en artikel 14 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen (Hoge Raad, 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206).
2.16.
Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van een werknemer die een privéauto mede zakelijk gebruikt zowel feitelijk als juridisch niet gelijk aan die van een werknemer aan wie een auto ter beschikking is gesteld. De wetgever mag beide situatie (
Hof:situaties) dus ongelijk behandelen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
2.17.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat hij het belaste deel van de kilometervergoeding in de jaren 2004 tot en met 2010 en tevens over het jaar 2012 in aftrek heeft gebracht en dat deze aftrek door de inspecteur is geaccepteerd.
2.18.
Voor zover belanghebbende hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen, kan dit beroep naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de aangiften IB/PVV over de jaren 2004 tot en met 2010 en 2012 niet zijn gecontroleerd en dat de aanslagen daarom conform de aangiften zijn opgelegd. De inspecteur heeft voorts gesteld dat er geen sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur. Belanghebbende heeft hiertegenover niets gesteld waaruit zou blijken dat de inspecteur bewust een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van deze aftrekpost.”
Het Hof sluit zich bij deze overwegingen van de Rechtbank aan en maakt die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur bij de beschikking de heffingsrente in overeenstemming met de wettelijke bepalingen in rekening heeft gebracht. Belanghebbende stelt echter, naar het Hof begrijpt, dat de Inspecteur bij de aanslagoplegging onvoldoende doortastend heeft gehandeld en dat het zorgvuldigheidsbeginsel er daarom aan in de weg staat dat de Inspecteur de heffingsrente die volgens de wet verschuldigd is, volledig in rekening brengt. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
4.3.
Belanghebbende heeft ten onrechte in zijn aangifte onder vermelding van scholingskosten het bedrag van de van zijn werkgever ontvangen kilometervergoeding, voor zover die vergoeding een bedrag van € 0,19 per km te boven gaat, in aftrek gebracht. Deze onjuistheid in de aangifte is aan het licht gebracht door het nader onderzoek van de aangifte door de Inspecteur, waarna de onjuistheid door de Inspecteur is gecorrigeerd bij het opleggen van de aanslag. De Inspecteur heeft conform de wettelijke bepalingen vervolgens tevens heffingsrente in rekening gebracht over het bedrag van de correctie. Dat als gevolg van de correctie tegelijk met het opleggen van de aanslag een hoger bedrag aan heffingsrente in rekening is gebracht dan in rekening zou zijn gebracht wanneer correctie van de aangifte niet nodig zou zijn geweest, is gelet op het voorgaande een gevolg van de omstandigheid dat de belastingplichtige een onjuiste aangifte heeft gedaan en is niet het gevolg van de handelwijze van de Inspecteur. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de inspecteur onzorgvuldig handelt doordat hij overeenkomstig de wettelijke bepalingen heffingsrente in rekening brengt in geval van een correctie van een onjuistheid in de aangifte (HR 25 februari 2011, 09/03966, ECLI:NL:HR:2011:BP5536).
Slotsom
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het Hof
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Aldus gedaan op 20 januari 2017 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
een dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.